|
DE VORIGE RESTAURATIE
En God zag dat het goed was …
Op Zondag 26 juli 1959, op de in 1623 ingestelde Beemster Biddag klonk vanaf de torentrans van de Hervormde kerk trompetgeschal. Na een intensieve restauratie van vijf jaar kon de kerk weer in gebruik genomen worden. Aan de vooravond van het einde van de restauratie van 2004/5 kijk ik graag met u even terug naar die zozeer
noodzakelijke restauratie van een halve eeuw geleden.
Op 6 maart 1954 staat in de Alkmaarse Courant te lezen: “Het interieur van de Hervormde Kerk in Middenbeemster biedt een aanblik zo triest dat die nauwelijks te beschrijven valt. De tand des tijds heeft eraan geknaagd en er was niemand die dit weerhield. Het verval heeft zich overal ingevreten. Het vrat aan het hout van de
kansel, aan het orgel, aan de muren. De kerk werd geheel onbewoonbaar. De oude stoelen staan er opeengehoopt, de banken zijn verwaarloosd en er hangt een kleffe lucht.”
Nog enkele citaten om de ernst van de situatie te schetsen: “Orgel en preekstoel, de zitplaatsen van de ouderlingen, diakenen en leden, het is alles overbodig, heeft geen reden van bestaan. De kerk bestaat nog slechts uit vergane muren met daarbinnen wat molm. Het zou een kerk kunnen zijn die zojuist is droog gekomen in een
overstromingsgebied.” Bij één van de afgedrukte foto ’s in de krant staat de veelzeggende kop: “Beemster bedehuis brokkelt gestadig af.”
Prachtig, de pathos waarmee de toestand wordt beschreven. Het was duidelijk, de noodklok luidde om dit monument te redden. Een monument wat in 1623 was voltooid, elf jaar nadat de droogmakerij Beemster was ontstaan. De eerste stap van het reddingsplan werd gezet door plaatsing van het gebouw op de monumentenlijst. De
burgerlijke gemeente nam het voortouw met de restauratie van de toren.
De begroting van de restauratie van het gebouw werd geraamd op 323.000 gulden, waarvan rijk, provincie en gemeente respectievelijk 50, 15 en 10 procent voor hun rekening namen. In deze begroting was niet inbegrepen een gedeelte van het meubilair, het orgel en de verlichting, waarvoor een belangrijk bedrag nodig was. Er werd een
3 % obligatierekening uitgegeven en een lammerenfonds en spaarbusjesactie in leven geroepen. Dat gereken en het bij elkaar schrapen van geld, mede via tal van ondersteunende acties van vrijwilligers leverde een positief resultaat op
Wat dat betreft is er na een halve eeuw niet eens zoveel veranderd. Anno 2005 noem ik dan maar: een fietsende dominee, onze namen in een raampje (enig idee trouwens), een veiling enzovoort.
Terug naar de vijftiger jaren. De destijds onder architect C.W. Royaards uitgevoerde restauratie nam een aanvang in 1954 en was voltooid in 1959. Het interieur werd teruggebracht in de oorspronkelijke stijl. Teneinde zo authentiek mogelijk te werken werd gebruik gemaakt van materialen afkomstig uit andere oude – gesloopte –
kerkgebouwen. De directe toegang tot de kerk, zoals die in 1623 was ontworpen, werd hersteld. Voor de restauratiewas de entree via de consistorie. De kansel en het doophek verhuisden van de zuid- naar de oostzijde, zoals ze ook oorspronkelijke waren gesitueerd. Het gerestaureerde orgel was na het afbreken van de, in het midden
van de negentiende eeuw vanwege toenemend kerkbezoek geplaatste, galerij, weer in volle glorie zichtbaar. … en hoorbaar, dankzij welluidende improvisaties van organist Casper Kaat.
Op die mooie 26e juli 1959 werd het gebouw door de architect in het bijzijn van tal van afgevaardigden van kerkelijke en burgerlijke instanties uit de omgeving en de provincie overgedragen aan de kerkvoogdij. J. Slooten, toenmalig voorzitter van de kerkvoogdij droeg het vervolgens over aan de voorzitter van de kerkeraad, ds.
J.R. Hanenburg.
Het was feest. Het zo historische gebouw - de tweede kerk van Nederland die ook echt als protestantse kerk is gebouwd – was van een gewisse ondergang gered.
Bij een feest passen ook geschenken. Dat die er waren, daar mogen wij tot op heden plezier aan beleven. De burgerlijke gemeente schonk, bij monde van burgemeester Pesman een gebrandschilderd raam. Dijkgraaf Hogetoorn wees op de band tussen kerkbestuur en het waterschap en bood het tweede raam aan, voorstellend de vijfde
scheppingsdag. Kunstenaar Hans Royaards, de broer van de architect, was de ontwerper van deze ramen. De afdeling Beemster van de Bond van Plattelandsvrouwen gaf als geschenk de prachtige koperen kaarsenkroon en de wandarmaturen.
Een droevige noot in dit verhaal is het overlijden van Jacob Demmers uit Purmerend, die op 19 april 1956 van een steiger viel en aan zijn verwondingen overleed. In de oostelijke gevel is te zijner gedachtenis een gedenksteen aangebracht.
Wanneer er in 1954 niet besloten was tot restauratie is het niet denkbeeldig dat er weinig over zou zijn van de voor de polder zo beeldbepalende kerk op het kruispunt van Rijperweg/Middenweg. Het was onder meer ook door de oorlogsperiode dat het gebouw zo verpauperd was.
“En God zag dat het goed was,” preekte ds. Hanenburg uit Genesis 1, vers 25 op de 26e juli. Als grootste geschenk achtte hij het “wanneer de gemeente veelvuldig en veeltallig gebruik zou maken van dit mooie gebouw, tot eer van God.”
Zelden zal gezang 135 met zo grote overtuiging zijn gezongen. Uit volle borst zong de gemeente: “Dankt, dankt nu allen God, met blijde feestgezangen.”
Ank Pronk
|