|
Breidablick 12 dec. '08
Raad van Kerken Beemster

Zie de
foto's en de tekst daaronder, van deze geslaagde Kerstmiddag(klik
ter vergroting)
KERSTVERHAAL (zoals het werd gelezen op deze Kerstmiddag )
Een witte Kerst
Een kerstverhaal van Godfried Bomans
Er was eens een man die het kerstfeest grondig wilde vieren. Hij
haalde een laddertje uit de schuur en spande langs het plafond de
rode papieren slingers die daarvoor garant zijn. Aan de lamp hing
hij een van die rode bellen, die opgevouwen weinig lijken, maar
naderhand nog aardig meevallen. Toen dekte hij de tafel. Hij had
hiervoor urenlang over drie winkels verdeeld in de rij gestaan, maar
het zag er dan ook goed uit. Naast elk bord stak hij ten slotte een
kaarsje aan, waarvan je er tien in een doos koopt, en klapte in zijn
handen. Dit was het teken om binnen te komen. Zijn vrouw en
kinderen, die al die tijd in de keuken elkaar met een verlegen
glimlach hadden aangekeken, kwamen bedremmeld binnen. "Nee maar,"
zeiden ze, "dat had je niet moeten doen." Maar omdat hij het toch
gedaan had gingen ze blij zitten en keken elkaar warm aan.
"En nu gaan we niet alleen smullen," zei de man, " we moeten ook
beseffen wat er nu eigenlijk gebeurd is." En hij las voor hoe Maria
en Jozef alle herbergen afliepen, maar nergens was er plaats. Maar
het kind werd ten slotte toch geboren, zij het in een stal. En toen
begonnen ze te eten, want nu mocht het, al was er dan veel ellende
in de wereld.
"Kijk," zei de man "dat is nu Kerst vieren en zo hoort het
eigenlijk." En daarin had hij gelijk. En zij verwonderden zich over
de hardvochtigheid van al die herbergiers, maar het was ook
tweeduizend jaar geleden moet je denken, zo iets kwam nu niet meer
voor. En op dat ogenblik werd er gebeld. De man legde de banketstaaf
die hij juist aan de mond bracht, verstoord weer op zijn bord.
"Dat is nu vervelend," zei hij, "er is ook altijd wat." Hij knoopte
zijn servet los, sloeg de kruimels van zijn knie en slofte naar de
voordeur.
Er stond een man op de stoep met een baard en heldere, lichte ogen.
Hij vroeg of hij hier ook schuilen mocht, want het sneeuwde zo. Het
was namelijk een witte Kerst, dat heb ik nog vergeten te zeggen, hoe
kan ik zo dom zijn. De beide mannen keken elkaar een ogenblik
zwijgend aan en toen werd de een door een grote drift bevangen.
"Uitgerekend op Kerstmis," zei hij, "zijn er geen andere avonden."
En hij sloeg de deur hard achter zich dicht. Maar terug in de kamer
kwam er een vreemd gevoel over hem en de tulband smaakte hem niet.
"Ik ga nog eens even kijken," zei hij, "er is iets gebeurd, maar ik
weet niet wat." Hij liep terug naar de stoep en keek in de
warrelende sneeuw. Daar zag hij de man nog juist om de hoek
verdwijnen, met een jonge vrouw naast zich, die zwanger was.
Hij holde naar de hoek en tuurde de straat af, maar er was niemand
meer te zien. Die twee leken wel in de sneeuw te zijn opgelost. Want
het was, zoals gezegd, een witte Kerst.
Toen
hij weer in de kamer kwam zag hij bleek en er stonden tranen in zijn
ogen. "Zeg maar even niets," zei hij, "die wind is wat schraal, het
gaat wel weer over." En dat was ook zo, men moet zich over die
dingen kunnen heen zetten.
Het
werd nog een heel prettig Kerstfeest, het was in jaren niet zo echt
geweest. Het bleef sneeuwen, de hele nacht door en zelfs het kind
werd opnieuw in een schuur geboren.
 |