|
De bijzondere plaats van de Protestantse Kerk in het :
Het Werelderfgoed de Beemster
De luwte in de strijd tegen de Spanjaarden in het begin van de 17e eeuw en het daarop volgende twaalfjarig bestand boden in Holland kennelijk de gelegenheid belangrijke initiatieven te ontplooien. Zo kreeg landsadvocaat Johan van Oldebarnevelt in
1607 het verzoek om octrooi tot bedijking en droogmaking van de Beemster. Een verzoek ondertekend door een keur van vooraanstaande functionarissen en zakenlieden. Het octrooi werd verleend en met vaart werd de realisatie van dit grootse plan nagestreefd. In
1608 werd reeds begonnen met de aanleg van de ruim 40 kilometer dijk rondom het toenmalige Beemstermeer alsook werd het uitwateringskanaal naar de Zuiderzee gegraven. Zo’n 40 molens zorgden er voor dat eind 1609 de Beemster al hoegenaamd droogviel.
Rijke Amsterdamse kooplieden verschaften het kapitaal voor deze (toen) stoutmoedige onderneming. Onverbrekelijk verbonden aan de verwezenlijking van de grote droogmakerijen in Noord-Holland is de naam van Jan Adraansz. Leeghwater (1575-1650). Deze molenbouwer
en waterbouwkundige uit De Rijp kreeg van de bedijkers de technische leiding over het omvangrijke Beemster-project.
Om precies te zijn, op 19 mei 1609 viel het Beemstermeer droog en kwam 7200 hectare “beste grond” beschikbaar. Een periode van bemaling, eerste inrichting en bij hevige storm een weer gedeeltelijke overstroming, volgde. Op 19 mei 1612 werd door de bekende
Jacobus Bouman vastgesteld dat de Beemster droog was en zes weken nadien werd midden in het nieuwe land een feestmaal aangericht voor de bezoekende prinsen Maurits en Frederik Hendrik. Zo is 1612 het officiële jaar van ontstaan van de Beemster-polder.
Overeenkomstig de opvattingen in de 17e eeuw werd na de drooglegging in 1612 de Beemster volgens een strak geometrisch patroon verkaveld. Deze verkaveling wordt gekenmerkt door het regelmatige vierkante patroon en door de pleinen die ooit op de
kruispunten van wegen waren ontworpen. Het nieuwe land werd verdeeld in een raster van vierkanten, volgens de klassieke opvattingen een volkomen harmonieus geheel. Symmetrie werd in de 17e eeuw gezien als de absolute perfectie. De vierkanten werden
verder verdeeld in langwerpige kavels welke de boeren konden pachten.
Grote buitenverblijven, “heerlijkheden” genaamd, werden gebouwd in renaissancestijl: strak en ritmisch ingedeelde gevels, symmetrisch geordende tuinen. Deze buitenverblijven zijn helaas alle verdwenen, zij sneuvelden in tijden van economische tegenwind in de
18e- en 19e eeuw.
Het genoemde patroon van vierkanten werd vastgelegd in sloten en vaarten ( “de wateringen”), en wegen, de belangrijkste en unieke karakteristiek van de Beemster. Binnen dat patroon ontstonden de boerderijen langs de wegen, gebouwd volgens het type
Noord-Hollandse stolpboerderij. Zo siert nog een groot aantal stolpen uit de 17e-, 18e- en 19e eeuw de droogmakerij, waaronder bijzonder fraaie exemplaren uit de 17e- en 18e eeuw voorzien van stenen
topgevel.
Aanvankelijk waren vijf percelen verspreid over de polder, de zogeheten Kerkpleinen, bestemd voor de bouw van een kerk. In deze Kerkbuurten zou dan eerst een korenmolen worden gebouwd. Vooralsnog beperkte men zich echter tot één korenmolen en wel in de “Middel
Beemster”, de naderhand Middenbeemster geheten woonkern. Zo werd er ook maar één kerk gebouwd, dus in Middenbeemster, centraal in de nieuwe polder. Tijdens de Grote Paasvergadering in april 1615 wordt besloten ontwerp en begroting van de in de Middel Beemster
te bouwen kerk op te dragen. De bouw vond plaats in de periode 1618 – 1623.
De Beemster volgde het economische tij van Holland door de eeuwen heen en behield daarbij immer het overwegend agrarische karakter. Grote bloei gedurende de Gouden Eeuw, tijden van bloei en neergang in de eeuwen daarna. Daarbij bleef de zo karakteristieke
inrichting van de droogmakerij geheel ongewijzigd. Enige woonkernen ontstonden, met als belangrijkste het centraal gelegen Middenbeemster, overal vanuit de polder zichtbaar door de hoge toren van de dorpskerk. Ook de aanleg in de 20e eeuw van enige
doorgaande grote wegen dwars door de polder, kon gelukkig niet verhinderen dat het open karakter van de droogmakerij onveranderd kon blijven bestaan.
De kerk van Middenbeemster vormt met de directe omgeving een ensemble van bijzondere schoonheid , een extra accent midden in het fraaie polderlandschap. Deze omgeving wordt gevormd door de kruising van de Middenweg en de Rijperweg waaromheen zich het eeuwenoude
marktplein bevindt, voorzien van hoge bomen en omrand door een aantal oude panden, waarvan te noemen de oude hoefsmederij (“de travalje”) en het vroegere schooltje (nu “Onder de Linden”). Deze sinds 1612 bestaande kruising van wegen met het bijbehorende plein
maakt Middenbeemster vandaag tot het enige nog historische kruisdorp in Noord-Holland boven het Noordzeekanaal. De aan het marktplein gelegen oude dorpskerk vormt hierbij een uiterst karakteristiek en fraai element.
In 1999 werd de Beemster door de Unesco de status van Werelderfgoed verleend, vanwege de unieke verkaveling en het uitzonderlijke voorbeeld van een door de mens geschapen architectonisch ensemble en landschap. Deze toekenning verheft de Beemster tot het
collectieve erfgoed van de mensheid. De lokale overheid ziet hierin de plicht dit erfgoed op de juiste wijze te beheren en te bewaren. De nodige initiatieven zijn daartoe genomen met een breed draagvlak vanuit de bevolking. Dit betreft in het bijzonder de
cultuurhistorische aspecten zoals de inrichting van het landschap, van de boerenerven en waar nodig het herstel en de conservering van de bouwkundige en landschappelijk monumenten.
In toeristisch opzicht is de aanwijzing tot Werelderfgoed een belangrijke impuls geweest.
De Hervormde Kerk van Middenbeemster, ook wel de dorpskerk genoemd, heeft in dat geheel zijn eigen en bijzondere plaats.
Om deze bijzondere plaats te behouden, is in april 2004 met een rigoureuze restauratie begonnen.
Zie het► restauratie bulletin |