|
KONINKRIJK VAN DE HEMEL . .
Het
nieuwe jaar beginnen wij met het tweede deel van het
jaarthema, ‘Koninkrijk van de hemel’. Op het eerste
gezicht lijkt dit een stuk abstracter dan het ‘land van
melk en honing’. Dit is echter niet perse het geval.
Belangrijk is wel wat achtergrond.
KONINKRIJK VAN . .
De term ‘Koninkrijk van de hemel’ komt uit het evangelie
naar Matthëus. Wij komen het in de andere evangeliën
niet tegen en bij Mattheüs maar liefst 31 keer. De
lading van het begrip komen wij echter wel bij Marcus en
Lukas tegen en in mindere mate bij Johannes. Zij noemen
het dan ‘Koninkrijk van God’. Het verschil in benaming
lijkt te verwijzen naar het feit dat Joden de naam van
God (JHWH) niet uitspreken, maar in plaats daarvan
‘Heer’ (ado-nai) zeggen. Mattheüs staat dicht bij de
Joden- christenen en deze affiniteit zou kunnen
verklaren dat hij spreekt van Koninkrijk van de HEMEL!
Over dat hemelse koninkrijk zegt het evangelie van
Mattheüs allerlei zaken wat in de loop van de komende
weken onze diensten zal kleuren en wat de afgelopen
weken onze diensten al kleurde . .
Zo verwijst de term koninkrijk van de hemel naar
Johannes de Doper. Na diens gevangenneming neemt Jezus
zijn oproep tot ‘omkeer, want het koninkrijk is nabij’
over.
Uit de Bergrede komt naar voren, dat het koninkrijk er
is voor: Wie nederig van hart zijn, en voor wie vervolgd
worden vanwege de gerechtigheid; gerechtigheid die
groter moet zijn dan die van de schriftgeleerden. Het
koninkrijk is er voor wie de geboden onderhouden, voor
de doeners van het goede en niet voor wie alleen maar
goede praten.
Er wordt in het evangelie ook gesproken over wie groot
en klein zijn in het koninkrijk. Daar valt vooral op dat
in het koninkrijk juist groot zijn wie elders nauwelijks
meetellen. Wie zich (af en toe) klein durft te maken als
een kind zal grootste zijn.
Gaandeweg wordt de toon wat barser. Farizeeën en
schriftgeleerden zullen het koninkrijk niet ingaan en
staan ook anderen in de weg. Ook de onverzoenlijke
dienaar die wordt vergeven, maar zelf niet wenst te
vergeven komt er niet in. Evenmin als de gasten die niet
willen komen of de gast zonder bruiloftskleed, of de
dwaze meisjes . .
“Op, waakt op!” zo klinkt het luide.
Wat wil dit roepen toch beduiden,
gij torenwachter van de tijd?
“Middernacht is aangebroken,
zijn uwe lampen wel ontstoken,
gij maagden, die de Heer verbeidt?
Gij, slapenden, ontwaakt,
uw bruidegom genaakt!
Halleluja,
nu opgestaan!
Het feest breekt aan;
gij moet Hem ijlings tegengaan.”
Oftewel,
je moet van het koninkrijk wel een feestje willen maken,
en af en toe mag het je best eens wakker houden!
Gelijkenissen
Tenslotte is het koninkrijk een geheim waarbij
geheimtaal past. Die
geheimtaal is in het evangelie de taal van
gelijkenissen. In hoofdstuk 13 komen wij er acht tegen,
uitgebreid en klein als een mosterdzaadje. In de
hoofdstukken 18, 20, 22 en 25 komen wij ook uitgebreide
gelijkenissen tegen. (die bewaren wij voor de weken na
Pasen)
Het ‘koninkrijk van God/Hemel’ heeft geen duidelijke
coördinaten Noorderbreedte of Westerlengte. Het verwijst
naar de plek waar God koning is. Hoe dat zich verhoudt
tot andere koningen, keizers en admiralen is een verhaal
op zich. Al zou je kunnen zeggen dat de hemelse koning
eerder in een stal dan in een paleis geboren wordt.

Nobelprijs voor de vrede 2011
Vrede op aarde of in de hemel . .
Bijzonder is het dat er op twee verschillende manieren
naar het ‘koninkrijk van de hemel” gekeken wordt. Voor
de één beschrijft het de plekken op aarde waar leven is
zoals God het bedoeld heeft. De nadruk ligt dan op het
woord gerechtigheid. Anderen
schuiven het koninkrijk juist in een (ver) hiernamaals.
Alsof hemel en koninkrijk van de hemel hetzelfde is, en
alsof God alleen nog buiten onze tijd en ruimte
misschien nog een beetje . . koning is! Er wordt zo ook
verschillend gedacht over hoe het koninkrijk kan
aanbreken. Gebeurt dat doordat mensen naar de
voorstellingen van God ’s rijk kan leven, of alleen
doordat God inbreekt in de wereld van mensen als een
donderslag bij heldere hemel.
Bij die laatste opvatting ontstond al vrij snel het
probleem dat het koninkrijk maar niet leek te komen,
terwijl Jezus toch had gezegd, dat het op handen was.
Had Jezus zich vergist? Heeft God zich bedacht? Of is
het uitblijven niet zozeer een goddelijke zaak als wel
een menselijk tekort? Kan het zijn dat wij hebben er
soms geen oog voor, of het zelf in de weg staan?
De
komende zondagen tot de veertigdagentijd staan met name
de gelijkenissen uit het 13e hoofdstuk van Mattheüs
centraal. Buiten is het misschien nog een beetje veraf,
maar in kerk en kapel laten wij ons al inspireren door
de gelijkenis van het zaaien, en van het goede gewas te
midden van het onkruid, van de schat in de akker . . en
wat al niet meer!

|