PROTESTANTSE GEMEENTE BEEMSTER

 

 

"ROND KERK & KAPEL"

Home

Info

Actueel

Jeugd

Overweging

Geschiedenis

Foto's

Andere Kerken

Bestuur...

Restauratie

"De Beemster Keyser"

 

BEEMSTERBULLENBIDDAG ..

In mijn boekenkast prijkt een boek getiteld “Elisabeth” van de schrijver Jan Mens (1897-1967), een uitgave uit l953. Het is een geromantiseerd verhaal over het leven van Elisabeth (‘Betje’) Bekker en dominee Adrianus Wolff met wie zij op l8 november 1759 in het huwelijk trad. Zoals bij velen bekend was de geboren en getogen Amsterdammer Jan Mens verknocht aan het Waterlandse gebied in het algemeen en aan de Beemster in het bijzonder. Hij mocht graag vertoeven in de oude pastorie aan de Middenweg waar- over hij zelf zegt: “ Ik ben er thuis. Ik roep: ‘Volk!’ maar stap meteen verder, als was ik de bloedeigen neef van dominee Wolff zelf.” De schrijver neemt ons aan de hand en met hem wandelen wij de ‘historie’ van tweeënhalve eeuw geleden binnen. Wij vieren dankzij de beeldende schrijftrant van Jan Mens Beemster Biddag met verre voorvaderen. Gaat u mee, ter kerke? Ik neem het verhaal integraal over.

“De dag van de 30e Juli was gewijd aan ernst en aan vrolijkheid. Beemsterdankdag. Of, zoals Knelia haar noemde: Beemsterbullenbiddag. Straks zou dominee zijn rede uitspreken, gevolgd door het luiden van de klok in het Gemeenelandshuis, ten teken dat markt en kermis konden beginnen. Het was bijzonder vol in de kerk; Wolff was er immer op uit, van zijn redevoering een meesterstuk te maken. Schoon het hem wel moeite kostte elk jaar wat nieuws te bedenken. Maar hij verafschuwde de wijze van doen van sommige predikanten, gauw geneigd een oude preek op te warmen. Hij stelde er eer in, geregeld een nieuw facet aan te brengen, ook aan zijn jaarlijkse redevoering. Dit keer had hij getwijfeld tussen een vermanend woord uit Leviticus: “Want het land is mijn, dewijl gij vreemdelingen en bijwoners bij mij zijt”, en een meer vreugdevoller regel uit Psalmen l03: “Loof den Here, mijne ziel, en vergeet gene van Zijne weldaden”. Hij had het laatste gekozen. Zijn betoog was een dichterlijke verheerlijking van de Beemster, uitgesproken met vaste stem. “Wat een aards paradijs voor een woeste waterplas! Waar de schepen gleden op de gevaarlijke rug der deinende wateren, rennen nu de paarden, zonder gevaar van te zinken.” Wolff legde telken jare als het ware getuigenis af van zijn liefde voor de polder. “Beziet die bodem, hoe dik en dicht is hij, bezet met groenend gras, met malse klaver. Ei ziet die lammeren, hoe dartel door de weelde hunner weide! Hoe huppelen die witbevlokte voeten in het golvend groen”.

Elisabeth luisterde glimlachend naar de dichterlijke ontboezeming van haar echtgenoot. Hij was wel op dreef, meende zij. “Die os, met vet als overgoten, schijnt te bezwijken onder zijn last. Wat staat die koe verlegen met haar zware dracht van room, wat ziet zij met verlangen uit naar de hand die haar ontlasten zal. Ziet, zij heft de kop en luistert. Wat hoort zij?”Op dit moment klonk van nabij het gebrul van een stier, een bronstige illustratie van Wolffs woorden. Het aanwezige landvolk kon zijn lachen nauw bedwingen; Hardebol stiet met een knipoog zijn buurman aan. Wolff begon te verhalen over het droogmaken van de Beemster, hij schilderde de tegenslagen met kleurig palet. Tot hij belandde op de 30e Juli van het jaar l612, toen de heren bedijkers, meest Amsterdamse kooplieden, er toe konden overgaan de grond te verdelen onder de deelhebbers. “Na deze verdeling wierd deze landouwe beplant, bezaaid, bebouwd, ene geruste woning ener nieuwe maatschappij van mensen, van rondom herwaarts tezamen vloeiende”. Tenslotte vroeg hij zich af, of er aanleiding toe was, deze dag elk jaar te herdenken. “De Here God eiste van Israël een jaarlijkse dankbare herdenking van de gift van Kanaän; kan of zal een christen afkeuren deze godsvruchtige instelling? Is het geschenk dezer landen geen weldaad, waardig alle dankbaarheid, alle lof, alle dienst?” Wolff, die voelde dat men naar hem luisterde, onderging opnieuw die eigenaardige ontroering. Dit was nu de dertigste redevoering welke hij hield, hij had ze stuk voor stuk met vreugde en bezieling mogen uitspreken: in het dankgebed gewaagde hij er van. Hij was een vroom man, dominee Wolff, zijn woorden werden gedragen door een eerlijke overtuiging. Dertig jaar had God hem de kracht geschonken te zeggen wat hij zeggen moest, ontbrak er in deze weldaden stof tot Zijn lof? “Dat ons hart, onze mond, onze daden nu en gedurig zeggen: “Looft, looft den Here en vergeet gene van Zijn weldaden. Amen”.

Psalmgezang bruiste door de kerk, die het zonlicht ving in de hoge glasramen. Het koper aan het doophek vonkte alsof het in vlammen opging. Het licht schampte langs de oorijzers der boerinnen, die, met een vracht van goud aan hoofd en hand, luidop en staande met hun mannen de slotpsalm meezongen. “Loof, loof den Heer, mijn ziel, met alle krachten”. Voorzanger Dirk Ruiter zette zijn keel op, hij zong zo luid alsof het zijn doel was de kerkvensters te doen barsten. Doch de boeren lieten zich niet in een hoek drijven! Zij schraapten de keel, haalden diep adem en zetten zich in postuur voor het tweede vers.

Als een orkaan daverden de stemmen door de kerk, dit zingen deed deugd. “Loof Hem, die al wat gij hebt misdreven, hoeveel het zij, genadig wil vergeven”. Straks gingen zij een brandewijntje met suiker inslaan, en de vrouwen een likeurtje. Dominee Wolff, die in de normale Dienst geen donderend zingen duldde, liet zijn gemeente begaan; het speet hem zelfs dat de kerk geen orgel bezat, om het geweldig geluid te ondersteunen.

Alle elf verzen van psalm l03 werden zonder pauze de ruimte ingeslingerd, een prestatie op de vroege morgen. Alsof de gewelven meezongen stond daar de kleine kerk, omgeven van zonlicht; het verwonderde dominee Wolff dat de leien van het kerkendak niet naar beneden kletterden, en de vensters niet barstten. Bouwmeester De Keyser had dit triomfante geweld nooit kunnen voorzien.”

Tot zover een fragment uit het boek “Elisabeth”, waarmee ik “Pronk met andermans veren”.

 

Ank Pronk