|
NIEUWE RUBRIEK - ERWT
(uw commentaar mag naar
nhkerk.beemster@quicknet.nl. Wij sturen het graag door)
eRWt:
Gelukkig Nieuwjaar
Droomt u wel eens?
Vast wel! Immers, in de medische wetenschap is men ervan
overtuigd, dat iedereen elke nacht droomt. En dat de meeste
dromen ook direct weer vergeten worden. Gelukkig maar! Want men
zou met de meest vreselijke of de meest romantische beelden
worden opgescheept. Dag in dag uit. Die romantische dromen
lijken misschien aantrekkelijk. Maar elke dag weer? Dromen over
een Nieuwjaar zijn er in vele gedaanten. Bijvoorbeeld het winnen
van de hoofdprijs in de Staatsloterij. Of het terugwinnen van je
gezondheid, die tot slechts een zwakke vorm is verworden.
Voordat we naar Culemborg vertrokken, heb ik nog een paar
oliebollen en appelflappen gegeten. We zouden de jaarwisseling
bij mijn jongste zus doorbrengen. Daarom hebben we dit jaar ook
geen kerkelijke olieproducten gekocht. Hoewel we daar- toe tot
twee keer toe, met een fikse druk op de deurbel, benaderd werden
door de venters, kon het ons er niet toe brengen om er een
hoeveelheid van in te slaan. Ik kan dus niet zeggen of ze dit
jaar lekkerder waren dan het vorige. Wij gingen naar Culemborg,
om samen met de familie de Nieuwjaarsnacht door te brengen. Het
was niet druk op de weg erheen. Alleen was het nogal mistig. De
weg terug was veel beter, met een zonnetje in de rug tuften we
naar huis. Mijn zus en zwager hebben een groot huis met veel
kamers. Alles is groot en veel bij hen. Ook de hartelijkheid,
waarmee ze ons omringden had dat karakter. Iedereen kon blijven
slapen. Wij kregen zelfs het echtelijke bed om de nacht door te
brengen. Het was halfeen, toen wij het licht uitdeden, ik was
bekaf van de avond wachten op het verlossende signaal: we zijn
er! Het is 2011! Toen kwam er een diertje de kamer in. Het had
een grijs huidje. Dat werd me toch te gortig. Ik sloeg naar het
beestje. Maar miste. Het werd groter en bleek een wollige vacht
te hebben. Opnieuw een slag, het werd een slag in de lucht. Weer
werd het groter. Ik zei het al: alles bij mijn jongste zus is
veel en groot. In de verte hoorde ik iemand roepen: Kijk uit! Of
zoiets. Maar ik was vastbesloten dit varkentje te was- sen. Dus
toen het opnieuw in omvang toenam, ben ik uit bed gestapt, om
dat beest van katoen te geven. Ik viel daarbij van de trap. Het
werd een eindeloze valpartij. De trap was de trap van vroeger in
ons ouderlijk huis, dat allang door de Dienst der Domeinen is
opgekocht en gesloopt. Toch weet ik het zeker: de traploper lag
met koperen roetjes vast en was op de randen doorgesleten. Mijn
moeder zag dat met zorg aan. Maar geld om er van die
kunststoffen hoeklijnen overheen te zetten was er niet. “Loop
door en kijk er maar niet naar”, Zei mijn vader dan. Ik bleef
hangen voor het van matglas voorziene zijraampje en kon zo naar
buiten kijken, door het matglas heen! Daar gaat buurvrouw Mien!
En daar komt buurman Arie aan, met de lange passen, waarmee hij
zich voortbeweegt. Hij heeft nota bene zijn pijp nog in de mond.
Wat gaat hij nu weer doen? Hij heeft een schop in de handen en
begint het slootje tussen zijn en ons terrein uit te diepen. Ja,
kijk eens? Hij gooit de modder gewoon op ons erf neer. Dat kan
niet, daar moet een eind aan worden gemaakt. Kijk, daar gaat
mijn vader al. Even later zitten de beide mannen op het bankje
naast het huis. De één stopt zijn pijp en steekt er de brand in.
De ander rookt een dikke sigaar. En ze lachen! Ze hebben me daar
een pret. Waarover weet ik niet. Dan komt buurvrouw Mien er weer
aan. Ze is kwaad op mijn vader. “Vort, maak dat je wegkomt,
lillike (lelijke) kerel!” Mijn vader springt weer over het
slootje en is een seconde later verdwenen. Opgelost in het
niets. Waarom hij “lillijk” was in de ogen van de buurvrouw, is
mij volstrekt ontgaan. Wel weet ik nog van een conflict, dat
mijn vader en de buurman hadden over het scheidingsslootje. Ik
ben ineens weer terug in Culemborg. Lig in een vreemd bed en
probeer mezelf om te draaien. Naast me ligt Ineke, die zachtjes
vraagt: “Droomde je?” “Hoezo?” antwoord ik slaperig. “Je lag me
daar toch om je heen te maaien, het is maar goed dat je zus en
zwager zo’n groot en vooral breed bed hebben!”
eRWt

COLUMN –eRWT
(nov.
2010)
Verwilderste tijd
of: De mens in de tijd van zijn
leven
En dan
hebben we het hier over de jaren dat hij/zij al meeloopt in de
menselijke geschiedenis. Het zijn gegevens, die gepaard gaan met een
nauwkeurige vastlegging van het tijdstip van iemands geboorte. Zo
gebeurt het althans in onze door en door gereglementeerde westerse
samenleving. Van zo’n tweederde van de mensen op aarde is slechts
bij benadering de leeftijd bekend. Maar wij weten bijvoorbeeld
precies hoe oud elk kerklid is. Op school leerden wij de
vaderlandse geschiedenis door jaartallen van geboorten en sterven
van belangrijke personen in de kop te stampen. De meeste mensen
vieren elk jaar trouw hun verjaardag. Vorig jaar had een bekende
(bejaarde) uit ons midden er al een feest van laten maken. Dit jaar
- op zijn 89ste – vond hij het evengoed nodig om het weer
groots aan te pakken. En op elke verjaardag komen telkens weer
dezelfde mensen. Ondanks zijn gevorderde leeftijd vallen er nog
steeds geen gaten in zijn familie en vriendenschaar. De tijd die
mensen toegemeten krijgen om te leven wordt kennelijk steeds langer.
Dat je daardoor ook wat langer zou moeten werken om je pensioen
betaalbaar te houden tot je laatste levensdag, is voor bijna elk
mens te begrijpen. Zo niet onder grote delen van de vakbeweging. In
een gevecht met de politiek is er uiteindelijk toch een besluit
gevallen, dat veel weg heeft van koehandel. Schijnbaar preluderend
op de nieuwe regering, waar het mij ook toeschijnt dat de te nemen
maatregelen van koehandel aan elkaar hangen. En ook in Frankrijk
wonen erg veel mensen, die niet zomaar begrijpen, dat het verschil
maakt of men een of twee jaar langer blijft werken en zo mee gaat
betalen voor de gepensioneerde collega’s, of dat men maar blijft
interen op de toekomst. Daar heeft men het er zelfs voor over om de
hele economie plat te leggen. Ook in ons eigen polderlandje kom je
die mensen tegen. Voorop ene Geert Wilders uit Venlo. Het is wel een
goedkope manier waarop hij de kiezers naar zich toe trekt. Hij weet
heel goed dat zijn wensen op velerlei gebied niet zullen worden
ingewilligd. Maar door zijn gezicht in de juiste plooi te trekken,
lukt het hem om toch mensen in zijn valkuil te lokken. “Zie je wel?
Nu ben ik toch serieus bezig met het gedogen van die regering. Is
het wéér niet goed". Het spelletje van die arme Geert, die maar niet
gelijk krijgt van de mensen uit de linkse kerk. Hij bedoelt het zo
goed, maar telkens wordt hem door de linkse rakkers de voet dwars
gezet. Om maar niet te spreken van die onbetrouwbare linkse
rechters, die hem in een politiek proces willen veroordelen omdat er
een groep mensen is die zich benadeeld voelen door de vrijheid van
meningsuiting, zoals meneer Wilders die interpreteert. Maar als die
mensen hun mening geven over de heer Wilders is dat pas beledigend,
want dat kwetst zijn tere ziel. De volgelingen van meneer Wilders
koesteren ook vreemde gedachten over de integratie, of het meedoen
op maatschappelijk terrein door mensen met een mediterrane
huidskleur. “De amateur voetbalclubs moesten maar eens ophouden met
het inschrijven van Islamitische leden”. Hoe bedenkt je het? Hij
schrok zich een hoedje, getuige het feit dat hij zijn voorstel een
vergissing noemde, nadat een storm van kritiek losbarstte. Dat was
het: een bizarre vergissing. We mogen hopen dat veel volgelingen van
deze Wilders nog binnen hun tijd van leven tot de conclusie komen
dat hun keuze in het stemhokje een bizarre vergissing is geweest.
Maar waar bemoei ik me eigenlijk mee? Zou nu zo’n onbeduidend
collumnpje van een eRWtje in een Beemsterkerkblad nog invloed kunnen
hebben op de loop van de geschiedenis? Ik denk het niet. Maar soms
kan ik wel zó kwaad worden……. eRWt.

COLUMN –eRWT
(okt.
2010)
Een huis om in te wonen
Te laat!! Volledig gemist! Nu moet ik èn onderwerp èn inspiratie èn
snelheid zien te koppelen. Dat onderwerp is niet het probleem. We
beginnen een nieuwe seizoen, met als thema “Een huis om in te
wonen”. Dat neem ik als onderwerp van mijn bespiegelingen. Een huis
om in te wonen hebben wij allemaal wel, denk ik. Ik zou niet weten
of er iemand in ons midden is, die onder een brug of in een
tuinderschuur zijn rust zoekt. Mocht er iemand zijn die aan zo een
beeld beantwoord, zou hij of zij zich dan bekend willen maken? Nou
is dat wel erg gemakkelijk gesteld. Als je in zulke omstandigheden
verkeert zul je dat niet zo gauw aan de grote klok hangen. Want je
moet zien, dat je overleeft, en dat gaat in die situatie beter als
je onzichtbaar bent voor nieuwsgierige ogen. Ooit was dat anders.
Toen had je de landlopers. Overal thuis, nergens welkom. Maar ze
spraken wel tot de verbeelding. Hele aardige, wat zeg ik? Hele lieve
landlopers waren er toen. Ze werden ook ten tonele gevoerd. Wie kent Swiebertje niet? Hoeveel jaren lang heeft deze vrijbuiter ons niet
wekelijks een plezierig uurtje bezorgd? In de fantasie van de
schrijver van zijn verhaal bestond er geen mens, die meer mens was
dan Swiebertje. Gelukkig was er een hele aardige burgemeester, die
door een schat van een huishoudster werd verzorgd. Tenminste, dat
moeten we aannemen. Hoewel ze meer bezig was met onze Swieber. En de
op en top keurige politieman Bromsnor steeds op het verkeerde been
zette. Dat was de sfeer waarin een landloper vandaag de dag ook nog
wel zou kunnen gedijen. Maar het huis om in te wonen? Er zijn geen
hooioppers meer, geen plaatsen waar je kunt uitrusten van een dag
lang eten en drinken scoren, en misschien nog een shotje van het één
of ander. Dat laatste dient er voor om even te ontsnappen aan de
spanning die de dagen met zich meebrengen. Even de ellende vergeten.
In de vorige plaats waar Nico en Marie actief waren, de mij niet
onbekende Nassaukerk in de Amsterdamse Staatsliedenbuurt zijn deze
mensen wel een bekend verschijnsel. Ze komen af op de koffie na de
dienst. Of als het koud is op de warmte. Ze zitten te snurken of
doen hun best om gewoon kerklid te lijken. Hoewel er daar niemand is
die hen er om vraagt. “Wees maar wie je bent”, is het adagium. Een
paar jaar lang hebben mijn vrouw en ik daar eenmaal per vier weken
een maaltijd voor zo ’n veertig mannen en vrouwen gekookt in het
speciaal daarvoor ingerichte huis met de naam Filah (Welbevinden).
Het was erg leuk werk. Wij kookten op een donderdag. Op de dag
ervoor trok ik dan de Beemster in om vlees, groenten en aardappels
te “scoren”. Op donderdag kwam een bevriend stel bij ons om de 20 kg
aardappels te schillen. Dat kostte een paar uurtjes. Na een uurtje
te hebben mee geschild begon ik het vlees en de groente voor te
bereiden. Als we het geheel klaar hadden was het tegen een uur of
drie en maakten we ons op om naar Filah te vertrekken. Daar waren we
dan op tijd om de piepers en de groente te koken in grote gamellen.
Filah, een huis om in te wonen! Ik zou er uren over willen
doorvertellen. Geïnspireerd door die geschiedenis heb ik dit verhaal
heel snel in de kolommen van mijn column neergezet. Helaas het gaat
niet meer. Hoewel ik ook toen al door die vermaledijde Mr. P.
vergezeld werd, kon ik nog genieten van een dergelijke dag. Nu moet
ik het doen met het thema van het nieuwe seizoen met een stille hoop
dat we hier ook nog eens werkelijkheid kunnen maken van “Een huis om
in te wonen”. Filah gaat nog steeds door. Het dient de behoeftige
mens op meer dan één manier: Zwervers krijgen een lekkere maaltijd
voorgezet, en jongelui uit verscheidene kerkelijke gemeentes leren
er hun afschuw overwinnen voor randfiguren. Mensen aan wie het Leven
voorbij gaat. Laat ik tot besluit nog een christelijk appèl doen aan
het Christen Democratisch Appèl. Daar hebben we geen PVV bij nodig!
eRWt

COLUMN –eRWT
(sept.
2010)
–
EINDE VAN DE ZOMERTIJD?
Hoe kan dat nu al het geval zijn? Ik heb het gevoel dat de zomer nog
moet beginnen! De natuur is nog zo fris groen. Zo hebben we in geen
jaren de bomen en struiken in deze tijd van het jaar meegemaakt.
Meestal zijn die na de hete zomerdagen stoffig en al een beetje dor.
En in de kerk kan men het afmeten naar de aanwezigheid van
gelegenheidsvoorgangers. Vandaag was de laatste zondag waarop een
“gast”predikant voorging. Volgende week is onze eigen dominee Nico
Schroevers weer het vertrouwde gezicht daar op die plek. Heb ik hem
gemist? Ja, maar tegelijk ook gun ik hem een paar weken lekker vrij
van allerlei verplichtingen, die dat beroep van hem nu eenmaal eist.
Hoe jammer het ook moge klinken, ik ben geen zanger, die maar
eindeloos zou kunnen door zingen. Eén of twee coupletjes van een
lied is mij al meer dan genoeg. En wat gebeurt er nu juist in die
zomer weken? Precies! Die voorgangers laten ons maar zwoegen om
zoveel mogelijk coupletten van een lied ten gehore te brengen. Vaak
ook nog met een moeilijk zingbare wijs. En dan komt er ook nog een
preek, die langer duurt, naar het schijnt. Nee, ik voel me niet zo
heel erg gelukkig met deze oplossing. Al moet ik toegeven, dat Ds.
Henk van Olst een paar prachtige verklaringen had over het Hooglied.
En Ds. Aartsen-Schiering bracht ons een paar maal dichter bij een
Jezus, die weet heeft van de menselijke kommer en kwel. Maar toch,
wat kan ik verlangen naar dat vertrouwde beeld van Nico, als engel
in de adventstijd, of als een verhalenverteller voor de kinderen,
die er niet zijn. Met allerhande passende attributen om zich heen
geslagen. Dan doen we maar alsof……. Toch? Dan blijkt dat we
eigenlijk allemaal kinderen zijn. Want de gemeente is stil op de
momenten waar dit past. En men lacht om de grappen, die hij erin
legt. Als je met de mensen hierover praat, blijkt dat niemand die
verhalen zou willen missen. Want ze zijn ook voor grote mensen
begrijpelijk. Misschien wel meer dan die professionele preken, die
er ook altijd op volgen.
U vraagt zich op dit moment wellicht af: “Is die eRWt nou zo somber
vandaag? Of ligt het aan mij?” Nee, u heeft gelijk, ik ben een
beetje somber gestemd. Buiten is het licht, maar ik zie geen zon. En
het zonnetje in huis, dat ik meestal wel zie, laat vandaag ook
verstek gaan. Wat is er dan toch? Ik weet het niet! Ik ben een
beetje rusteloos. Weet niet wat te doen om mijn stemming op peil te
krijgen. Als ik naar buiten kijk, zie ik de bomen heftig zwieren en
zwaaien met de wind. Het gordijn voor het open raam kan het ook niet
helemaal aan, om keurig in de plooi te blijven hangen. Al die dingen
vallen mij op vandaag. En dit moet toch maar even opgeschreven
worden, want het is allemaal bedoeld om weer een column te vullen in
het eerst te verschijnen kerkblad. En op de website kunt u mij ook
vinden. Het doet mij goed, dat ik nog geen afkeurende kritiek heb
hoeven te verwerken. Al schrijvende denk nog even terug aan het
“koffiedrinken na de dienst” vanochtend. Na een verhaal te hebben
aangehoord van een oudere mevrouw, die een cruise op de Rhône had
gemaakt, bleef ik een beetje verloren zitten. Ik heb het geheel nog
eens even overzien. En dacht toen: “Ik moet nog mijn Zobbertje
schrijven. Ik heb nu wel weer genoeg stof.“ Het is een Tobbertje
geworden. Maar mijn sombere gedachten, die uit dat gemanipuleer met
de stimulator ontstaan, heb ik toch maar mooi van mij afgeschreven!
Ik heb Mr. P. even lekker op afstand gezet en ben mijn somberheid
kwijt! U allen bedankt, dat u even van mijn getob hebt willen kennis
nemen.
eRWt

COLUMN –eRWT
(juli 2010)
69 jaar en Mr. P. is al meer dan 15 jaar mijn ongenode, maar
hardnekkige metgezel.
Nu ik mezelf toch bekend heb gemaakt, kan ik net zo goed ook wat van
mijn recente levenservaringen laten zien. Het zijn ervaringen, die
ik vooral samen met Mr. P. beleef. Er zullen onder de lezers mensen
zijn die een deel hiervan herkennen. Nu hoop ik maar dat ik hen niet
ontrief, want het kan er vrij heftig aan toe gaan met deze mister.
Maar laat ik er meteen aan toevoegen, dat ik zowel nare als leuke
ervaringen zal proberen weer te geven. Laat ik dan maar beginnen met
een leuke ervaring. Toen ik een paar maanden terug uit mijn
narcoseroes na de DBS operatie ontwaakte, was ik meteen in een
opperbeste stemming. Want, ik kon mijzelf bewegen zoals ik dat in
geen jaren had gekund! De neurologen noemen iemand in zo’n situatie
. .
ONTREMD
Dit betekent dat je denkt de hele wereld aan te kunnen. Je bent
hyper opgelucht dat de operatie voorbij is en zo goed geslaagd. Je
denkt: was dat alles? Dat mogen ze nog wel eens een keer doen. Je
gaat bijna letterlijk door roeien en ruiten. Je bent niet
ontvankelijk voor rede, want je meent dat alles wat je doet een
goede greep is. In mijn ontremde toestand wist ik geen maat te
houden, met niets. Bestek op tafel leggen naast je bord? Welnee, je
smakt het er neer. Een appel of een aardappel schillen? Hompen snijd
je er af. En als antwoord op commentaar vraag je: Wat is hier nu
fout aan? Zo gaat het met alles. De omstanders, hoeveel ze ook van
je houden, worden wanhopig en denken al gauw: Als het zo verder
moet, weet ik niet of ik het wel vol houd! Zelf begrijp je er niets
van dat ze zo afkeurend naar je reageren. Je deed immers je best om
alles zo goed mogelijk te doen. Zo kom je er achter, dat ontremd
zijn op het eerste oog een leuke ervaring is, maar in werkelijkheid
een heel akelige. Gelukkig trekt het langzaam maar zeker weg.
Tegelijk met de verwonding van het hersenweefsel dat zich weer
herstelt. Want dat veroorzaakt het euforische gevoel. Zo komt alles
weer op zijn pootjes terecht. Tenminste, als er niet meer van die
verschijnselen ontstaan door de stimulatie, die nu gaat beginnen.
Want ook daar ligt een gevaar. Naast dit alles is er de . .
ANGST
Een ervaring van niet geheel andere orde is die van het krijgen van
angsten, die je maar niet kunt begrijpen. Waarvoor ben ik zo bang?
Waarom durf ik mijn huis niet uit; zelfs niet mijn eigen tuin in?
Het huilen staat je nader dan het lachen. Eten? Geef dat maar aan de
kippen. Rustig blijven zitten? Hoezo rustig? Ik word gek van dat
rare gevoel in mijn buik. Ik wil weg, maar ik durf nergens heen.
Slapen? Nee, ik ben bang om te gaan slapen. Wie zegt dat ik weer
wakker wordt? Bel maar gauw de Verpleegkundige die gespecialiseerd
is in dit soort ziektebeelden. Want dat het met je ziekte te maken
heeft is je overduidelijk. Het antwoord: een dosis medicijnen en
maar in bed kruipen en proberen te slapen. Morgen naar de poli voor
nog een recept. En weer word er aan het stimulatorkastje gesleuteld.
De verpleegkundige vraagt: Wat voelt u nu? Antwoord: Eigenlijk niks.
Maar de angst is weg! Je weet, het komt door de instelling van dat
kastje, dat de neurochirurg heeft ingebouwd bij het sleutelbeen. De
stroompjes, die door dat kleine stukje van je hersenen gaan, hebben
hun effect op je gemoedstoestand en stemmingen. Ook die worden in je
hersenen bepaald. Gelukkig kun je er wel iets aan doen, door jezelf
te oefenen in het omgaan met allerlei gevoelens. Zoals . .
EMOTIONALITEIT
Er kan op de tv niet een vermist kind zijn vader of moeder om de
hals vliegen, nadat het juist gevonden is in een schuurtje, of de
tranen stromen uit mijn ogen. De koningin spreekt een paar spontane
en welgemeende woorden van dank of zoiets uit. Wie zit er met tranen
in de ogen te luisteren? In het programma Opsporing verzocht brengt
Derk Bolt een getinte jongeman in contact met zijn Colombiaanse
moeder, die hij niet kan verstaan. De tranen van moeder en zoon
vermengen zich met de mijne. Ik kan het niet meer helpen, maar ik
word gedwongen om heel emotioneel te worden bij sentimentele scènes.
GEK HÈ???

eRWt, Alles goed . . ?!
Soms komt men wel eens mensen tegen, wier gezichten men wel kent.
Maar, hoe heet die persoon ook al weer? Geen idee. Terwijl de
betreffende persoon jou keurig bij de naam noemt. Om aan een blunder
te ontsnappen kun je uit verscheidene mogelijkheden kiezen. Je kunt
jezelf bedienen van een heel onduidelijk uitgesproken naam. Je kunt
ook vermijden een naam te noemen en je beperken tot een “Hallo, hoe
gaat het?” Het zijn van die uitdrukkingen, die gedachteloos worden
uitgesproken bij van die haastige ontmoetingen die worden gekenmerkt
door de zinsnede: “Hé, hallo! Alles goed?” Hoe kan nu ooit alles goed
zijn? Wil degene opstaan bij wie
alles goed is? Vaak antwoord ik met: ”Nee, bij mij is niet
alles goed, maar wel genoeg om gelukkig te zijn”. Een enkele keer
opent dit antwoord dan toch een serieus gesprek, maar vaker gaat de
ratrace gewoon door. Waarschijnlijk word ik dan ingedeeld bij het
contigent der zonderlingen, dat ook een deel van de schepping van
onze Lieve Heer bewoont. En wie weet, doet u, de lezer, dat nu ook.
Het zij zo. Maar waarom dit eigenaardige gebrabbel over begroetingen
en wat daarmee samenhangt? Welnu, ik had bij het begin van deze
rubriek besloten om onder een schuilnaam te gaan werken. Althans,
voorlopig. Want stel je voor dat het schrijven van deze stukkies
niet in goede aarde zou vallen. Dan kon ik me nog altijd verstoppen
achter die schuilnaam. En, ik had u beloofd mezelf dan weer in de
vergetelheid te laten wegzakken. Terwijl ik eigenlijk snak naar een
beetje erkenning. Want de enige respons die ik krijg komt van de
redacteur, die consequent boven de tekst aangeeft, waar u met uw
repliek, kritiek, instemming of afkeuring heen kunt. Dat komt ook
maar zeer, zeer spaarzaam. Het blijft bij een glimlach en een paar
losse woorden. Dat vind ik jammer, want een beetje repliek zou het
beslist leuker kunnen maken. In elk geval voor mij! Maar, misschien
bijt ik wel in mijn eigen staart. Immers, wie is dat, die eRWt?
Want zo was de oorspronkelijke schrijfwijze van dat pseudoniem. Nu
moet u weten dat ik aan het knutselen ben geweest met mijn gewone
dagelijkse naam. En dat mijn initialen R W zijn. Als je nu de eerste
letter van het pseudoniem neemt en die fonetisch registreert, dan
heb je de helft van het pseudoniem al te pakken: eR. Toen moest ik
met die letter W aan de gang. Dat is uiteindelijk heel simpel
opgelost. Maar de weg er naar toe is wat langer. Eerst dacht ik aan
Er Wee Ha Ha. “Nee, dat is niet goed”, wist ik meteen. Dat zou
onmiddellijk de lach- lust opwekken. eRWe? Nee, niet goed, want het
is nog steeds een onbekend woord. En ik probeerde uit te komen bij
een gewoon bestaand woord. Toen heb ik alle letters van het alfabet
op de vierde positie geprobeerd. Daar kwam als enig woord ERWT
uit.
Op
dat moment ging bij mij een lampje branden. Want een erwt is bekend
als agrarisch product. Zeker in deze polder, waar de akkerbouw nog
altijd hoogtij viert. Verder is het maar een heel klein ding, zo’n
erwt. En dat ben ik zelf eigenlijk ook. Nauwelijks 1 meter 68, dan
ben je toch een eigenlijk een erwtje, zeg nu zelf? Dan heb ik
inmiddels de herkomst van de vier letters wel verklaard. En die
icoon, die de redactie op de internetversie erbij gevonden heeft,
die maakt mij toch wel herkenbaar? Tenzij men mij benadert zonder
kennis te hebben genomen van deze column, krijg ik vanaf deze datum
daarom nooit meer: ”Hé hallo, alles goed?”
eRWt

ERWT, voorjaarsonderscheiding
Waar moet ik het nu eens over hebben? Over het weer? Wat voor een
jaar gaat het worden? Na die ellenlange winter, waar geen einde aan
leek te komen, hoopt toch iedereen op een mooi voorjaar en
vervolgens een niet te hete, maar wel warme en droge zomer? Ziezo
dat onderwerp is nu wel uitgesponnen. Over het weer praten doen wij
Nederlanders bij gebrek aan fantasie of als aanloopje naar een echt
onderwerp van gesprek. Zo ben ik nu ook bezig. Maar er moeten toch
wel meer onderwerpen zijn die interessant genoeg zijn om bij de kop
te nemen? Bijvoorbeeld hoe de Beemsterkerk op Paasmorgen een paar
trouwe kerkleden onderscheidde. Hoe zouden die twee mensen het
hebben ervaren? Je doet toch gewoon je taak en denkt daarbij niet
aan een dergelijke beloning. Henk heeft echt niet twintig jaren
gewerkt aan de kerkenraadverslagen en roosters gemaakt met het oog
op deze onderscheiding. Evenmin heeft Ineke het bezoekwerk aan de
oude Jaap Marees verricht om ook eens in aanmerking te komen voor
een stomp kaars. Nu moet ik wel even voorkomen dat u gaat denken dat
ik de resten van de Paaskaarsen uit kerk en kapel niet een heel
geschikte vorm vind om ijverige leden te bedanken voor hun inzet.
Want ik vind dit nu juist een unieke manier, die alleen in de kerk
te vinden is. Een jaar lang heeft de kaars zondag aan zondag zijn
licht verspreid over de liturgische tafel. En bij elke gelegenheid
heeft de voorganger wel een gedenkwaardige opmerking gemaakt. Dat
gaat nu verder in de woningen van twee betrokken mensen. Dat laatste
is niet helemaal waar, vermoed ik. Ik zie tenminste niet in hoe Nico
noch Marie dagelijks bij het schemeren naar twee huizen snelt om een
spreuk uit te proberen. Maar toch, is er geen symbolisch voorwerp in
de kerk te vinden, dat zo tot de verbeelding spreekt als een
Paaskaars. Hoe vaak heb ik niet in het licht van de Paaskaars zitten
staren, als de preek me niet zo aansprak? Door je ogen te
accommoderen, of juist niet, kun je het vlammetje groter en kleiner
maken. In jouw beleving, wel te verstaan. Als je het te lang op je
netvlies laat staan, krijg je een soort van blinde vlek, die maar
weer langzaam wegtrekt. Soms schrik ik even als de voorganger die
ochtend een vergelijk trekt met licht. Dan helpt het licht van de
Paaskaars je om de aandacht weer terug te brengen naar datgene waar
het op die dag van het kerkelijk jaar over gaat. Elke zondag heeft
zijn onderscheiden betekenis tussen de andere. Ook de Christelijke
feesten hebben elk een onderscheiden betekenis. Zo onderscheidt het
Paasfeest zich van de andere Christelijke feestdagen als het
belangrijkste. De onkerkelijke man of vrouw kan nog denken dat Kerst
het belangrijkste feest voor een Christen is. Voor de betrokken
kerkganger is Pasen het moment bij uitstek waarop hij/zij de meest
wezenlijke betekenis van het Christelijk geloof meemaakt. Het gaat
in dat feest om de opstanding. Opstaan tegen de onderdrukker.
Bevrijd worden van alles wat hem/haar terneer buigt. Is met Hem
lijden en sterven niet hetzelfde als vechten voor een schoon milieu,
bijvoorbeeld? Vocht Hij niet door tegen de machten van die tijd tot
op het kruis? Hij sprak geen woord en dronk niet van de pijnstillers
die hem werd aangereikt in de vorm van zure wijn. Nee, Hij liet niet
toe dat zijn beulen vat op Hem zouden krijgen. Integendeel, op het
moment dat hij zijn eerste klacht liet horen, vervolgde Hij direct
met “In uw handen beveel ik mijn geest”, en ontsnapte zo aan de
ergste fysieke marteling. Is het een wonder dat het Paasfeest in het
voorjaar valt? En dat de onderscheiding van deze twee mensen
Paaskaars heet, en niet Kerstkaars of Hemelvaartkaars of
Pinksterkaars. Met de Paaskaars wordt ieder jaar het Licht in de
kerk vernieuwd. En elk jaar zijn er weer nieuwe opstandelingen, die
worden onderscheiden.. ERWT

ERWT, van bloemen & vis
“Mij spreekt de blomme een tale . . “
Zo sprak de Vlaamse dichter Guido Gezelle lang geleden. Ik moest er
aan denken bij het zien van de kleuren in de bloemenpracht van
afgelopen zondag in de Kapel. Wie werd er toen niet geraakt door de
woorden van deze dichter? Weet u nog, op de MULO, van heel lang
geleden? Onlangs had ik mijn examenschrift weer eens in handen. Drie
en vijftig jaar geleden was dat schrift mijn leidraad bij het
examen. En overtuigd als ik was, dat Guido Gezelle er toen ook al
bij hoorde, ging ik op zoek naar de volledige tekst van dit gedicht.
Het stond er niet in! Evenmin kan ik me nog herinneren, waarom die
paar woorden uit dat gedicht mij altijd zijn bijgebleven. Is het
omdat mijn vader een bloemenkweker was? Ik denk het niet, want dan
zou ik hem wellicht zijn opgevolgd. Poëtisch was de man ook niet.
Hard werken om een sneetje brood voor zijn gezin te verdienen. Dat
lag meer in zijn aard. Nog hoor ik hem tegen mijn moeder zeggen:
“Leeuwenbekken was het afgelopen jaar toch een heel wat betere
teelt. Maar ja, nu moet het ook wel misgaan als je ziet hoeveel
aanvoer er is.”
Het waren leeuwenbekken, of violetten - vletten, zeiden wij – of
asparagusgroen, of fresia’s, of die roze anjers, die altijd wel wat
opbrachten. Maar het gouden product heeft hij nooit gevonden. Steeds
weer een jaar te laat. De volle winst van een “nieuwe teelt” ging
altijd naar de ondernemers, die wel het lef hadden om direct te
investeren. Ik kan me goed herinneren, dat ik vroeg in de morgen
door mijn vader ergens in een hoekje van de bakfiets werd gezet.
Mijn hoofd stak net boven het dekzeil uit. Daar gingen we. Mijn
vader trapte zich een slag in de rondte tegen de helling van de
Aalsmeerse brug op. Op naar de veiling CAV. Met een beetje geluk kon
hij zijn bloemen dan in een “kar” kwijt, die op het punt stond
voorgereden te worden. Dat scheelde in de prijs die je voor je
bloemen kreeg. En dat voorrecht om snel voor de veilingklok te
komen, werd bepaald door een man, die jou al of niet mocht. Die
goeie ouwe tijd…. ’s Middags ging ik maar weer op weg naar de
Centrale Aalmeerse Veiling. Nu om de veilingboeken te halen uit een
vak dat met veilingnummers werd aangeduid. 476 was het nummer van
mijn vader. Als ik weer thuis kwam zat mijn vader meestal aan de
thee. Mijn moeder stopte een paar sokken of rende heen en weer naar
de keuken en terug om haar trots, een cake of een appeltaart, of een
pan met sudderlapjes in de gaten te houden. Intussen schreef Maarten
Bakker, de kruidenier in het boodschappenboekje de dingen op, die de
volgende week het huishouden gaande moesten houden. Maarten behoorde
tot de Artikel 31 kerk. Wij waren “gewoon” gereformeerd. Dat was
natuurlijk een onderwerp, dat nog al eens aan de orde kwam. Soms
liepen zulke gesprekken uit op een luidruchtige woorden wisseling.
Eén keer ging het zelfs zo ver, dat Maarten de deur werd gewezen.
“Volgende week stuur ik Jantje Marsbergen wel” riep hij nog naar
binnen. In de hoop natuurlijk deze klant niet te verliezen.
Dan was er ook nog de visboer uit IJmuiden. Dat was een aanhanger
van dominee Toornvliet van Radio Bloemendaal. Een heel rustige man,
deze visboer. Als mijn vader vond dat ds. Toornvliet iets een beetje
minder gereformeerd had gebracht, dan vond de visboer dat ook. De
visserij naar geloof en handel verliep beter dan de boodschap(pen),
die de kruidenier bracht.
ERWT

ERWT gaat uit zijn dak ..
Die stalker, die zwarte engel, die ongenode metgezel, die Mr. P.,
gaat binnenkort uit zijn dak. Of is het mijn dak? Hoe dan ook,
terwijl ik dit schrijf en u dit leest ligt de actie in het nabije
verschiet. Daarna gaan we ervaren wat het is met minder klem door
Mr. P. te worden gevolgd. De nieuwsgierigheid naar dat moment houdt
me gaande. Nog twee weken en de vaklui gaan mijn dak openleggen. Nou
ja, openleggen is wat sterk uitgedrukt. Het blijft bij het boren van
twee openingen, waardoor zij hun precisieklus kunnen uitvoeren.
Daarbij geholpen door de modernste computertechniek. Die wordt
bijvoorbeeld toegepast om een ruimtelijk beeld te schetsen van de
bovenkamer. Vervolgens berekent de vakman, gecontroleerd door een
iets anders georiënteerde collega, de te bewandelen route door dat
ruimtelijke beeld. Ik kan het me bijna niet voorstellen, dat dit
goed kan gaan. Maar de vaklui houden vol: je hoeft niet bang te
zijn. We hebben ervaring. Opgedaan tijdens enkele honderden klussen
vóór jou. Daar heb ik niet van terug, en daar wil ik ook niet van
terug hebben. Ik ben er immers zelf over begonnen? Oké, ik kreeg
eerst een hint van één van die vaklui, die ik had getracht te
vermurwen tot een andere, schijnbaar minder bedreigende actie. Ik
kreeg als antwoord dat die actie na een paar jaar alweer
slijtageplekken begint te vertonen. Nee, volgens deze man moest de
beuk erin. Dat was pas een goed gerichte actie. Na enkele dagen van
nadenken besloten we eerst eens met een medewerker van de afdeling
voorlichting te gaan praten. Toen bleek dat een goed samenhangend
verhaal maar één keuze overliet voor ons. Die keuze is gemaakt en ik
wil geen weg terug. Ik ben veel te nieuwsgierig. Hoe zal het zijn
als ik met Mr.P. in zijn ergste gedaante op een plank word vast
gebonden. Mijn hoofd in een klem. Dan het zoemen en misschien wel
krijsen van een machine die mijn bol in kaart brengt. In 3D gaat men
het zaagsel in mijn onderdak beeldend beschrijven. Want als je door
die massa celletjes een naald wilt steken, hoop je dat te doen
zonder de voedende kanaaltjes te beschadigen. Dus de route is van de
meest essentiële betekenis. Dan worden de plaatsen van de
dakdoorvoeren bepaald. Met veel geraas zullen die openingen worden
gemaakt. Het gekke is dat ik bij voorbaat al denk aan de wijze van
weer dichtmaken van die openingen. Zal dat afdoende zekerheid
bieden, dat een ongevoeligheid voor hitte, kou, regen en storm wordt
bereikt? Wordt het een blijvend zichtbare oneffenheid in mijn dak?
Deze vragen zijn misschien wel de onbelangrijkste, die gesteld
kunnen worden. Toch houden ze mij bezig en het is beter daar niet om
heen te draaien. Zij vormen anders toch een reden om nerveus te
worden. En geloof het of niet: ik ben tot vandaag aan toe absoluut
niet nerveus. Want door dit op te schrijven en door jullie allemaal
te laten lezen, schrijf ik deze belevenis niet van mij af, maar naar
me toe. Het gaat steeds meer deel uitmaken van mijn bestaan. En dat
wordt er beter op. Ik schrok aanvankelijk toen één van jullie me
schreef: we gunnen jou dat betere leven. Dat de consequentie van
deze onderneming zó ver zou kunnen gaan had ik niet aangedurfd hard
op te zeggen. Slechts met omhaal van woorden gaf ik mijn verwachting
van het resultaat weer. Nu durf ik het te schrijven. Waarbij ik denk
aan het motto van de Nijmeegse neuroloog Dr. Bas Bloem: Parkinson
heb je nooit alleen.
Ik gun mijzelf en de kring van mijn lieve naasten: een beter leven!
Die kring is onvoorstelbaar groot. Jullie horen er allemaal bij!
ERWT

ERWT – TOBBERTJE . .
Klokkenluiders
In ons geseculariseerde dorp kun je elke zondagmorgen gedurende een
kwartier voor aanvang van de viering de kerkklok van de Kapel horen.
Als er tenminste een viering is. Nu kun je van mening verschillen
over het woord kerkklok. Is een bel, die geluid wordt om de
gelovigen naar de kerk te lokken, wel een kerkklok? Ik moet bekennen
dat ik bij het horen van de klok eigenlijk meer moet denken aan een
schoolbel dan aan een klok. Ik haast me te zeggen dat smaken nu
eenmaal verschillen. Dus een excuus aan diegenen, die pijnlijk
geraakt worden door de aanduiding schoolbel. Maar waarom begin ik er
dan over? Vind ik misschien dat het tijd wordt dat er in ons dorp
een klokkenluider opstaat? Een klokkenluider in overdrachtelijke
zin, natuurlijk. Dat had u allang begrepen. Het zou toch wat zijn
als op de kerkpagina van een landelijk ochtendblad een artikel zou
verschijnen met als kop: Klokkenluider luidt de klok over het
klokgelui op zondagmorgen. Waarover zou het anders moeten gaan? Er
valt in de Kapel toch nergens anders over te klokkenluiden? Ik
fantaseer even verder. Zou deze klokkenluider het nu opnemen voor
het arme, niet gelovige volk dat door de klokkenluider van de Kapel
ruw gestoord wordt in een poging om lekker uit te slapen op de vrije
zondagmorgen? Of zou de klokkenluider de klok luiden over de
kwaliteit van het klokkenluiden? Hebt u in de gaten dat er hier
sprake is van twee functies? De klokkenluider en de klokkenluider.
De één is een persoon uit de kerkgemeenschap, de echte
klokkenluider, die het geluid van de schoolbel – even deze
aanduiding ter verduidelijking – op zondagmorgen laat klinken. De
ander is een (voorlopig) anoniem lid van onze kerkgemeenschap, bij
wie het gevoel van ontevredenheid over de kwaliteit van het
klokkenluiden, dat in en buiten de gemeenschap zou kunnen zijn
ontstaan, kanaliseert en naar buiten brengt. Beide klokkenluiders
moeten voldoen aan een belangrijk criterium, namelijk dat zij werken
van binnen uit. Want als klokkenluider behoren zij beiden lid van
deze kerkgemeenschap te zijn. Ik fantaseer nog even verder en ga nu
echt wat klokkenluiden. Nee ik zal de klokkenluider niet het brood
uit de mond stoten. Ik heb slechts een vraag: zou de klokkenluider
van vroeger meer tegen zijn taak zijn opgewassen, dan die van nu? Ik
heb ze geen van beiden ooit hun functie zien uitoefenen. Maar de
oplettende kerkganger wordt een geoefende klokkengelui-kenner na een
flink aantal zondagmorgens het geluid te hebben aangehoord.
Nostalgie is deze geoefende kerkklokkenluisteraar niet vreemd. En zo
zou men kunnen terug verlangen naar de goede oude tijd, toen het
luiden van de bel van de Kapel werd uitgevoerd alsof het een
kerkklok was. Een Ab-ceetje voor de oude klokkenluider. En voor de
nieuwe? Is er dan een nieuwe? Men kan verscheidene mensen de trap
naar het touw zien opklimmen. Maar een nieuwe klokkenluider
aanstellen? Daarover wilde ik de klok eens luiden.
ERWT

Introductie T(Z)obbertjes van Erwt
In een opwelling bundelde ik enkele ooit voor de aardigheid
geschreven stukkies en stuurde die naar de redactie. Of ze er mee
door kunnen als column in het Kerkblad? Nauwelijks een half etmaal
later lees ik al het antwoord: “Leuk en pittig om te lezen”. Hier
heb je de verschijningsdata van het kerkblad. Daar hang ik, gevangen
in eigen hoogmoed. Als het lukt zult u me vaker tegenkomen in dit
blad. Lukt het niet, bent u mij weer gauw vergeten. Ik blijf
overigens anoniem, uw commentaar mag naar de redactie. Ik zal o.a.
schrijven over mijn ervaringen in de Kapel en over een ongenode
metgezel, die tot vervelens toe aan me kleeft. Ik noem hem Mr.P. (mister
pie) Deze eerste keer zelfs twee columns . .
De engel Gabriël(a) Je kunt wat meemaken in de Kapel. In de Adventstijd
hadden we een engel op bezoek.
Niet
zo maar één. Nee, hij stelde zich voor als de aartsengel Gabriël en
beweerde door God te zijn gezonden. Voordat we nu de Kapel wegens
dit bezoek tot heilige grond verklaren, moet u weten dat het hoofd
van de engel dat van de dominee zelf was. Het was in zijn spel
duidelijk dat de toeschouwer medespeler was geworden. Maar als
engelen er in werkelijkheid zo uitzien gaat mijn geloof, dat ik op
de zondagsschool verworven heb, compleet onderuit. Want daar leerde
ik een versje, dat ongeveer zo ging: “engelkens door ‘t luchtruim
zwevend zingen schoon en …..”
Verder weet ik het niet meer. Een slijtageslag van mijn geloof
zullen we maar denken. Maar die ochtend kwam er een flinke
slijtageplek bij. Ziet u deze engel al door het luchtruim zweven?
Niet proberen engel, je valt te pletter! Kennelijk had onze engel
hier al op gerekend, want de engel, die bij Maria was binnengestapt
was volgens hem zijn vrouwelijke collega Gabriëla. Zijn vrouwen
onder elkaar misschien wat zweverig? Het zou zo maar kunnen dat zij
een van die zwevende en zingende engelen was. Helaas hebben we haar
niet gezien die derde Advent. Dus moeten we de mogelijkheid, dat er
een vrouwelijk contingent engelen bestaat, maar in goed geloof
openhouden. Ik heb het niet zo op engelen. Gabriël ook niet. Net als
de dominee, die zijn verhaal vragend eindigde met, ”Wie weet welke
engel het was die bij Maria op bezoek ging?” “Ik niet!” zei Gabriël
en tegelijk sprak ook de dominee dezelfde woorden uit.
Engelentijd Vanaf het begin van Advent tot rond Driekoningen wordt
onze aandacht in de kerk en daarbuiten getrokken door de
(vermeende?) aanwezigheid van engelen. Denk maar aan die keer in de
Kapel met de engel Gabriël, die veel weg had van de dominee. Dat was
voor mij de enige keer dat ik een engel in lijfelijke toestand kon
waarnemen. Want helaas was ik bij de meeste vieringen in die periode
afwezig. Het lukte gewoon niet om in de vroege winterkoude op tijd
te zijn in een zondagmorgenviering. Evenmin in de Kerstnacht. Ik gaf
mijzelf maar over aan de beelden, thuisbezorgd door de TV. Bij de
NCRV zijn ze misschien wat minder angel minded dan bij de andere
levensbeschouwelijke zenders. Ik kan me geen NCRV-uitzending met een
engel bedenken anders dan in het verhaal van Charles Dickens waar de
hallucinerende Scrooge bezoek kreeg van een undercoverengel, die hem
kwam bekeren. Verder zag ik de uit hout gesneden engelen in de
versiering van orgels. Die hielden meestal een bazuin aan de mond.
Of ze bespeelden de harp. Dat gaf een nogal statische indruk van
deze schepselen. Je zou engelen eerder verwachten als geheimzinnige,
transparante figuren die zich met hun brede vleugelslag door de
lucht bewegen. Ik veronderstel dat bij de aanhang van RKK deze
mystieke vorm meer aanvaard wordt dan bij de beide andere omroepen.
Niettemin houd ik het erop dat bij de EO de meeste engelen langs
zweefden.
Een
stelling niet gebaseerd op enig wetenschappelijk onderzoek, maar met
mijn ogen dicht ontwaarde ik talloze engelen tussen de massale
menigten, die in monumentale kerken aloude kerstliederen omhoog
stuwden. Daar zat nogal eens een engel tussen als de engelachtige
stem van de sopraan, die met alle geweld boven de zang van de
menigte uit wilde komen. Soms waren het bepaalde wijsjes uit het
orgel, dan weer kwamen de engeltjes voort uit de tekst van de
liederen. Herinneringen aan vroeger kwamen boven. Aan de kersteesten
van de zondagschool. Als zondagschoolkind waande ik me deel uit te
maken van hemelse heirscharen, die de komst van het Kind bezongen.
Dat massale halleluja van de engelenkoren sleepte ook toen mijn
bromstem mee, tegen wil en dank. Ik heb het Kerstgevoel en de
vieringen dit jaar gemist. Kadootje van die ongenode metgezel Mr. P.
in de rol van een zwarte undercoverengel.
Erwt

|