|
BOEREN, BURGERS, BUITENLUI
- een interview in de polder Misschien herinneren sommigen van u zich dat ik, jaren geleden onder deze noemer, een rubriekje had in de
Binnendijks. Ik pak, met het schrijven van interviews in de kerkbode, de draad daarvan weer op. Door een persoonlijk gesprek met ‘polderaars’ van diverse pluimage leren we elkaar wat beter kennen en dat is voor de leefbaarheid in de polder, lijkt mij, positief. Bij het eerste interview met Nel en Paul Stolp is deze introductie,
door omstandigheden, niet geplaatst. Ik kreeg een herkansing.
Ik hoop velen van u te mogen ontmoeten.
Ank Pronk.
|
INTERVIEW MET ..
DURF
OVER JE GRENS
Begin
september 2006 kwam
Sophie Schuster
(20) uit Beieren in
het kader van een
diaconaal jaar als
vrijwilligster naar
Middenbeemster.
Eigenlijk wilde ze
naar Zweden maar
daar werd ze niet
voor uitgeloot. “Dat
was even een
teleurstelling, maar
daar heb ik nu zeker
geen spijt van.”
Ze
voelt zich kind aan
huis in Nederland,
bij Breidablick en
vooral bij Barbara
Scheringa en Hendrik
Hanenburg, “haar”
gezin voor tien
maanden. Ze spreekt
opmerkelijk goed
Nederlands en lacht
wanneer ik haar zeg
dat prins Bernhard
iets van haar had
kunnen leren. In
Beieren volgde ze
het Gymnasium (daar
zonder Grieks en
Latijn). “Ik wilde
direct na school een
jaar naar het
buitenland, een taal
leren en
levenservaring
opdoen. Het is goed
wanneer je over de
grens van je land
van herkomst durft
te gaan, dan durf je
ook nieuwe onbekende
dingen aan te gaan.
Ik wilde niet naar
Frankrijk of
Engeland omdat ik
die talen al op
school leerde. “
Na
een informatiedag
moet de
aspirant-vrijwilliger
een intensieve
procedure volgen.
Sophie: “Er moeten
negen pagina’s met
vragen worden
ingevuld met daarbij
een motivatiebrief.
Drie mensen moeten
over jou een brief
schrijven, met
daarin hun
beoordeling over
jouw geschiktheid
voor de taak. Er
worden vragen
gesteld over geloof
en over jouw
verwachtingen van
het project. Ze
vragen wat je
familie en je
vrienden ervan
vinden.” Via de
Evangelische
Freiwilligen-dienste
fur junge Menschen
en in samenwerking
met de Nederlandse
organisatie “Durf
over je Grens” die
zich bezig houdt met
jeugdwerk in de
Protestantse Kerk in
Nederland, kwam
Sophie in de
Beemster terecht.”
Met
jeugdwerk was Sophie
dankzij door de
evangelische kerk
georganiseerde
zomerkampen al
vertrouwd. Dat zij
bij Breidablick met
gehandicapten zou
werken, was nieuw
voor haar.“Ik heb
dat nooit eerder
gedaan. Ik heb het
heel erg naar mijn
zin. Ik heb niet
gekozen voor de
zorg, dat ligt me
niet echt. Ik vind
het werken in de
verschillende
werkplaatsen heel
verrassend. Er valt
elke dag wel iets
leuks te beleven en
ik leer ook nieuwe
dingen over de
mensen in
Breidablick. Ik heb
in de bakkerij
gewerkt, in de
kwekerij en ik heb
vilten geleerd;
shawls maken is zo
leuk”, klinkt het
enthousiast. “Elke
dinsdag gaan we met
mensen van
Breidablick sporten
in de Kloek.” En,
lachend: “ik geloof
dat ik het soms
leuker vind dan die
mensen.”Ze volgde
ook een cursus
Nederlands en
spreekt het op haar
werk en in huize
Hanenburg de hele
dag. “Schrijven kan
ik het nog niet”,
bekent ze.
Toen
ze uit Duitsland
vertrok had ze nog
geen idee welk
beroep ze zou
kiezen. Bijna tot
haar eigen verbazing
kwam ze in Holland
tot de keuze om
theologie te gaan
studeren. “Je kunt
verschillende kanten
op met die studie.
Ik houd er
bijvoorbeeld van om
samen vanuit de kerk
activiteiten te
ontplooien“
HAGELSLAG EN VLA
Ze
leerde de taal en ze
leerde de Hollanders
kennen. “Wat me
opviel was de
directheid van de
mensen. Ook dat ze
in het Engels iemand
net zo gemakkelijk
antwoorden als in
het Nederlands. Dat
zie je in Duitsland
minder terwijl talen
wel op school
geleerd worden.”
Wanneer ze een
snelle reactie moet
geven als ze aan
Holland denkt,
klinkt het zonder
twijfel:
“hagelslag en vla”
en “het brood is zo
anders, veel
slapper, wij hebben
stevig brood met
zuurdesem; het brood
van Breidablick zit
er zo ongeveer net
tussen in.”
“Vergeet de kroket
niet”, herinnert
Barbara haar. “O ba,
dat vind ik zo
vies”, klinkt het en
ze trekt een gezicht
dat boekdelen
spreekt.
Twee
keer is Sophie thuis
op bezoek geweest,
met kerst en met
pasen. “Mijn zus
heeft hier gelogeerd
en ook Duitse
vrienden van mij. Ik
heb mijn vrienden
gemist en daarom was
het zo mooi dat het
voor Barbara en
Hendrik nooit een
probleem was wanneer
er iemand bleef
slapen. Op zeker
moment waren hier
vier vrienden een
week gelogeerd en
twee dagen waren er
zelfs vijf.”
EEN
KERK VAN
WILGENTAKKEN
Ze
nam tweemaal deel
aan een door de PKN
georganiseerd
seminar, dat bedoeld
is voor alle
vrijwilligers die
een diaconaal jaar
in Nederland volgen.
“Het is een
ontmoeting met jonge
mensen uit diverse
landen zoals
Engeland, Zweden,
Belgie, Slowakije,
Hongarije, Duitsland
en ook Nederlandse
vrijwilligers die in
eigen land zo’n jaar
doorbrengen. We zijn
vijf dagen bij
elkaar en we
verdiepen ons erin
wat we in de
afgelopen tijd
hebben bereikt, hoe
het heden er uitziet
en wat we in de
toekomst nog kunnen
doen. We doen ook
allemaal leuke
dingen. Ik verheug
me erop dat ik in
juni een derde
seminar ga
volgen.”Verheugen
deed ze zich ook op
een wel heel
bijzondere
activiteit die in
haar geboorteland
plaatsvond, te weten
in Pappenheim. Ze
vertelt stralend:
“Ik had vakantie van
Breidablick dus kon
ik daar mooi in de
week na Pasen naar
toe, dat wilde ik zo
graag. Er is daar
met een groot aantal
vrijwilligers een
kerk van
wilgentakken
gebouwd. Een echte
kerk, om te
gebruiken. Maar
eerst moeten die
takken natuurlijk
wortelen en groen
worden.”
Het
diaconaal jaar van
Sophie zit er bijna
op. Ze zal naar huis
gaan met een hoofd
en hart vol
herinneringen aan
Holland en aan haar
tijdelijk thuis. Aan
Breidablick en haar
bewoners, aan de zee
waar ze met haar
vrienden en de hond
Jip in Hendrik’s
auto (“neem maar mee
hoor”) naar toe
mocht gaan. Voor
Barbara en Hendrik
en gezin zal het
vreemd zijn om een
“familielid” minder
te hebben. Barbara:
“er is ons al
gevraagd of we
volgend jaar weer
een vrijwilliger in
huis willen nemen ,
maar dat doen we
maar niet.” En, met
een veelzeggend
liefdevol gebaar
naar Sophie, “je
gaat toch
vergelijken, denk
ik.”
Tot
slot wil Sophie
graag kwijt dat er
vanaf september 2007
weer twee diaconaal
jaar vrijwilligers
op Breidablick
werken; een meisje
uit Duitsland en een
jongen uit
Hongarije. Er zijn
nog gastgezinnen
nodig. Sophie hoopt
dat de twee nieuwe
vrijwilligers net
zo’n fijn thuis
krijgen als zij
heeft gehad.
“ Het
is voor iedereen de
moeite waard om die
kans op een
diaconaal jaar te
nemen. Ook voor
Nederlandse
vrijwilligers om
naar andere landen
te gaan. Je krijgt
onderdak, verzorging
en zakgeld en je
bent verzekerd.
Ik
heb erg genoten van
dit jaar. Ik ga mijn
best doen om de
Nederlandse taal
niet te verleren.”
Ank
Pronk
 |
|
INTERVIEW MET ..
GELOOF IS OOK
VOOR DOOR DE WEEKS
..
Ze verdeelt haar
tijd tussen de
Zaanstreek, waar ze
bij V&D werkt en de
Beemster, waar ze op
de boerderij met
moeder en broer
geniet van het
uitzicht en het
werken op het land.
“Wanneer ik de Zaan
verlaat, draai ik de
knop om en denk ik,
ha, fijn, de
Beemster.
Een gesprek met Ida Schuijtemaker over
geloof, werk,
familie en
kerkelijke
betrokkenheid
Op 21 januari jl.
nam ze na zeventien
actieve jaren
afscheid als
kerkenraadslid. “Het
was best emotioneel,
er is ook zoveel
gebeurd in de
afgelopen jaren”,
vertelt ze. “Er
waren ook
oud-kerkenraadsleden
waar ik mee heb
samengewerkt. Ik zie
bij al die mensen
een verhaal, alsof
de dingen in een
film aan je
voorbijgaan. Het was
een mooie dienst,
een goede
afsluiting. Anderen
pakken het nu op en
geven het door. Dat
is gezond.
Het
is niet gemakkelijk
om Ida op de foto te
vinden in het
kerkelijke archief.
Het meeste deed zij
altijd achter de
schermen. Hier het
afscheid 21 januari,
samen met Remo
Strijker en Wietse
Tolman
Ik liep
in de kapel of het
mijn huiskamer was.
Dat
is enerzijds goed,
je bent betrokken;
anderzijds neem je
misschien te weinig
afstand. Wel jammer,
dat ik de eindfase
van de nieuwbouw
niet meemaak. Ik
denk dat het bestuur
door hard werken tot
dusver een goede
basis heeft gelegd
voor de nieuwbouw.
Ja, die vind ik
positief. Het moet
naar mijn mening een
gebouw zijn, dat je
helemaal kunt
gebruiken; goed
werkbaar, praktisch.
Ik zie het als een
verbreding van het
kerkelijk leven. Je
kunt denken aan
oecumenische
activiteiten, maar
ook aan
muziekschool, toneel
en zoveel meer. Wij
hebben de status van
werelderfgoed, en de
kerk is opgeknapt,
dat is mooi. Nu de
nieuwbouw nog. Er
zijn veel regels,
het duurt erg lang.
Jammer is dat. En,
lachend: “Ik ben
thuis gewend aan
effe doen en klaar.”
Ik hou
van doen
Komend uit een
Hervormde omgeving,
van moeder ’s kant,
werd ze zeventien
jaar geleden
notabel, zoals dat
toen werd genoemd.
In die vorm bestaat
dat niet meer. Later
werd ik door Chris
van Poelgeest
gevraagd diaken te
worden. Vele jaren
ben ik dat geweest.
Inmiddels is de
diaconie opgesplitst
in en beheergedeelte
(samen met de
kerkvoogdij) en een
inhoudelijke
gedeelte (samen met
de ouderlingen). Ik
voel me thuis bij
het inhoudelijke,
het gewone kerkedoen!
Zoals het
liefdemaal, de
bollentocht, de
kerstviering voor
ouderen, vakanties
voor mindervaliden
regelen. Ik probeer
ook zoveel mogelijk
te leren; je weet
nooit waar je het
voor nodig hebt. Het
is ook belangrijk
dat je als diaken
belangstelling toont
en bij activiteiten
je gezicht laat
zien.
Ja ik denk, dat het
kerk-zijn veranderd
is. het is positief,
dat er veel jeugd in
de kerk is, dat
brengt een lach in
de dienst. de
drempel moet voor
jongeren niet te
hoog zijn, maar
beslist ook niet te
laag. In deze tijd
kunnen kinderen uit
zoveel kiezen,
computerspelletjes,
mobieltjes, sport,
muziek, noem maar
op. Je moet met je
tijd mee, maar je
hebt ook een basis
nodig. Ik denk dat
je dan in voor– en
tegenspoed een beter
patroon voor je
leven hebt.
Het stijve
ging eraf,
Er
kon meer …
Voorgangers als
Elseman en Wilts
hebben ingezet dat
er meer openheid
kwam. Het stijve
ging eraf, er kon
meer. Nico
Schroevers en zijn
vrouw Marie konden
daar op voortbouwen.
Er zijn meer
activiteiten gekomen
in de kerk: koren,
instrumenten,
concerten, musicals.
Ook daarvoor is de
nieuwbouw hard
nodig.
Sociaal
Ze
vervolgt: “Daarnaast
moet je natuurlijk
ook zakelijk zijn,
dat is nodig om een
goed beleid te
vormen. Eigenlijk is
dat natuurlijk ook
zo bij mijn werk bij
V & D. Daar wordt
ook van je verwacht
dat je sociaal bent,
maar je moet wel
verkopen. Ik wordt
wel eens afgewezen
omdat ik te sociaal
zou zijn. Ik vind
bijvoorbeeld dat je
even stil moet zijn
wanneer je voelt dat
een college niet
lekker in haar vel
zit. Dan moet je
niet door rebbelen.
Enerzijds zeggen ze,
dat ik meer om
mezelf moet denken,
maar er wordt ook
vaak gezegd, Ida
doet het wel. Het
kan lang aan, maar
wanneer ik het te
druk krijg, als het
elastiek te strak
gaat zitten, dan ga
ik hikken, dan stop
ik. Maar ja, wanneer
je bent opgevoed met
een sterk
plichtsgevoel dan ga
je lang door. Als
kind ging ik al in
de Rusthoeve
op bezoek. Ik heb
thuis geleerd, om
zoveel mogelijk te
denken aan je
medemens.
Je hoort je om
anderen te
bekommeren ..
Als
je gelovig bent
wordt het je
zwaarder aangerekend
wanneer je iets fout
doet. Je hoort je om
anderen te
bekommeren. Of dat
nu een zieke of
eenzame mens is, of
iemand die uit je
korfbalploeg. Ook
als hij of zij dat
niet zo optimaal
doet, toch
opstellen. Dan
moeten de andere
spelers maar iets
harder hun best doen
Het is een kleine
stap van werk naar
huis; het lijkt een
wereld van verschil
wanneer Ida met
grote genegenheid
spreekt van het
‘ba-siskamp’ dat
thuis is. Dat thuis
is een agrarisch
bedrijf dat ooit
zowel akkerbouw als
veeteelt in het
pakket had.
“Tegenwoor-dig
richten wij ons op
graan en aardappels.
Er is in de
agrarische sector
zoveel gebeurd dat
niet rooskleurig is.
Je moet aan enorm
veel regels voldoen;
er is een wirwar aan
papieren. Vooral
sinds pa er niet
meer is – hij is
gestorven op 6 juli
2002 - heeft de
landbouw grote
veranderingen
ondergaan, Ik blijf
het toch een mooi
beroep vinden. Je
ziet het tarwe staan
en overal waar je
kijkt heb je vrij
uitzicht. Agrariër
zijn is een vorm van
leven. Het is best
moeilijk soms, maar
toch willen wij hier
blijven wonen. Waar
anders vind je die
vrijheid. Bovendien,
het is niet goed een
plant te
verplaatsen.
Verknocht is ze aan
de boerderij en het
land rondom. Het
leven houdt voor de
familie
Schuijtemaker echter
bepaald niet op bij
de Beemsterdijk.
“Samen met mijn
ouders en mijn broer
heb ik vanaf mijn
twaalfde jaar
gereisd, in alle
EG-staten. De eerste
keer hadden mijn
ouders een
onderkomen bij een
boer in Limburg
gehuurd. Daarna
hebben wij altijd op
een camping gestaan.
Wij hebben overigens
nog altijd contact
met die mensen uit
Limburg. Het
voordeel van
vakantie is dat je
voor een tijdje
alles achter je
laat. Maar vooral is
het fijn om te zien
hoe andere mensen
leven. Daarom
stonden wij graag op
campings waar
verschillende
nationaliteiten en
mensen met diverse
maatschappelijke
achtergronden
kampeerden. Mijn
vader zei dan
altijd:”Ik heb de
mooiste bloementuin;
hij verandert
steeds.” Pa zei ook
altijd: “Als de auto
over de brug is dan
heb ik vakantie.””Ik
had in het begin dan
nog zoiets van
‘moeten wij niet op
tijd zus of zo’, of
‘moeten wij daar
niet heen’. Met pa
was het echt
ontspannen reizen.
Het ging erom dat
wij mensen
ontmoeten. Hoe leven
ze, wat is hun
denkwereld, hun
belevenis van
dingen; wat
verwachten ze van
het leven.””Gelachen
hebben wij ook.
Zoals die ene keer
dat wij in Frankrijk
wandelden en een
heel oud stelletje –
takkenbossen op hun
rug – de berg op
zagen komen. We
knoopten een praatje
aan en wij maakten
in eerste instantie
uit hun verhaal op
dat ze vijfentachtig
koeien hadden. Het
bleek hun leeftijd
te zijn.”
Curacao
“Het
is fijn om te
reizen. Ik ben ook
tweemaal op Curacao
geweest, bij een
ichtje dat daar
woonde. Eenmaal met
mijn ouders en de
tweede keer met mijn
moeder. Wij hebben
het eiland niet als
toerist bezichtigd.
Wij zijn op plekjes
geweest waar je geen
buitenlander zult
zien.
Het boeiendst
zijn de mensen die
er wonen ..
Het
meest boeiend zijn
altijd weer de
mensen die er wonen.
Mensen hebben elkaar
nodig. Daarom is het
ook goed in een
gezin te wonen, in
wat voor
samenstelling dan
ook. Als het maar
een gemeenschap is.
Alleen al omdat je
elkaar dan kunt
corrigeren.
Geen
kerkenraad meer en
de daaruit
voortvloeiende
activiteiten. Tijd
over dus?
Lachend: “Nou kijk,
ik heb al jaren een
schellekoord liggen
met vogeltjes erop.
Ik hou van borduren,
maar de achterkant
is nog steeds niet
klaar. Dat kan ik nu
mooi eens doen. Ik
hou ook van fietsen,
lezen en taarten
bakken. En
natuurlijk sport. Ik
zit al jaren op
korfbal en ik mag
ook graag
volleyballen.
Bovendien, ik blijf
bij de kerk horen.
Ik heb steun aan
mijn geloof, ik bid
ook. Niet alleen op
zondag of bij een
begrafenis. Ik vind
dat geloof ook voor
doordeweeks is. Je
hoort iets uit te
stralen wanneer je
gelooft
(Ank
Pronk)
 |
|
INTERVIEW MET ..
VANAF HET BALKON ZIEN WE DE BEEMSTER
Vanuit hun sfeervolle woonkamer in de Raadhuisstraat in Oosthuizen kijken An en Jaap Bos op de Beemsterdijk. “Wanneer we op het balkon van de slaapkamer staan zien we zelfs de polder.

Op de voorgrond de Limousines van Hogenes en verder zoon Cok bezig met de graanoogst
Eigenlijk zijn we niet weg uit de Beemster’, lacht An. Ze kerken er ook en Jaap verzorgt met veel enthousiasme de website van de Protestantse Gemeente Beemster, die in de vijf jaar dat deze online is al door 18.000 geïnteresseerden werd bezocht. Banden met de Beemster zijn er volop. Nog deze zomer waren ze met
een groep Beemster kerkgenoten in Berlijn. “Onder de bezielende leiding van Marie en Nico Schroevers. Wat een geweldige belevenis.”
Jaap vertelde daarover ook op de website. Heel veel reacties krijgt hij, met name over de restauratie en de plannen voor de nieuwbouw. “Er komen e-mails uit Canada en Nieuw-Zeeland. Een orgelfanaat uit München wilde graag een foto van het mooie van Damorgel. De kerk is inmiddels zo bekend geworden dat steeds meer paartjes er
willen trouwen, vanwege de stijlvolle ambiance. Ik vind wel dat mensen een band met geloof moeten hebben; je trouwt niet voor de show in een kerk”, aldus Jaap.
Hij heeft de vaardigheid met de computer vanaf 1984 in zijn akkerbouwbedrijf aan de Purmerenderweg kunnen ontplooien. Tot 1998 was akkerbouwer zijn beroep. Toen deed hij het bedrijf officieel over aan zoon Cok, met wie hij tot dan in een maatschap werkte. Als zoon van een akkerbouwer in de Haarlemmermeer, zijn geboortestreek,
was het beroep hem vertrouwd. In 1954 werd hij bedrijfsleider in de Purmer bij een tante van An, eveneens een akkerbouwbedrijf.
An, in Edam geboren, woonde twee boerderijen verder. Daar leerden ze elkaar kennen en er kwam een huwelijk van. In 1960 betrokken ze het akkerbouwbedrijf aan de Purmerenderweg. Ze zouden er zo’n 30 jaar wonen. Al spoedig werd hun eerste kind geboren: dochter Margreet. Zij is vooral de reden dat An en Jaap nu in Oosthuizen
wonen. Margreet’s verstandelijke vermogens zijn beperkt. “Ze kan niet lezen en niet rekenen”, vertelt An. “We zagen niet vanaf de geboorte dat er iets niet klopte met ons kindje. Ze is nu bijna 46 jaar en kan dankzij ‘zorg-op-maat’ aardig zelfstandig functioneren.”
Margreet woont in een dependance van de Kadijkerkoog in Oosthuizen; in een woning waar negen bewoners zo zelfstandig mogelijk een eigen kamer hebben. Ze mag graag even aanwippen. Soms wat langer, maar het komt ook voor dat ze plotseling
weer naar huis wil, naar haar eigen kamer. “Die kamer is echt haar domein, ze is er zo gelukkig mee”, vertelt An blij. “Alles heeft een eigen plekje en wee je gebeente wanneer er iets wordt verzet. Doordat we zo dicht bij haar wonen, kan ze net zo kort of zo lang blijven als ze wil. Dat zou vanuit de Havermeer niet mogelijk
zijn.
Ze heeft tot haar 21ste thuis gewoond. Er bleef altijd die gedachte ‘wat moet ons kind beginnen wanneer wij er niet meer zijn?’ Het is heel fijn dat ze zo naar haar zin woont. De leiding van Kadijkerkoog stimuleert de bewoners zo goed om dingen zelf te doen. Echt geweldig!”
AFSTAND VAN HET BEDRIJF
Terug naar het bedrijf aan de Purmerenderweg en verwijzend naar de computer die vanaf 1984 op het bedrijf werd gebruikt. “Zo gemakkelijk om je administratie bij te houden. Ik was lid van een studiegroep van Noord-Hollandse akkerbouwers. Samen met het bedrijf Prolion uit Vijfhuizen hebben we toen een programma ontwikkeld waarbij
wij via een weerpaal c.q. weerbericht en de software van Prolion precies op het weer konden inspelen. Omdat elk in de akkerbouw gebruikt middel een bepaald weertype nodig heeft, was het op die manier mogelijk om je bedrijfsvoering te bepalen. Een dag eerder of later iets doen of nalaten kan grote gevolgen hebben voor het
gewas”, licht Jaap toe.
Toen het bedrijf in 1998 aan zoon Cok werd overgedragen bleef Jaap er nog behoorlijk bij betrokken. “Lastig om het heft uit hand te geven?” Hij lijkt een beetje verlegen met de vraag. “Ja, best wel”, geeft hij toe. “Weet je wat het is, ieder heeft zo zijn eigen manier van werken. Je zoon doet het vanzelfsprekend anders dan
jijzelf. Je moet je er dan niet mee bemoeien en dat is niet altijd gemakkelijk.” In 2000 onderging Jaap een zware rugoperatie. Het doet hem zes jaar later opmerken: “Toen heb ik eigenlijk pas echt afstand van het bedrijf kunnen doen.”
Geen bedrijf meer maar wel een hobby waar hij intens van geniet: het verzorgen van de website van de Protestantse kerk in Middenbeemster. Hij wil daar een kanttekening bij plaatsen. “Je bent altijd in je eentje bezig. Ik zou het fijn vinden wanneer er wat suggesties, enige opbouwende kritiek vanuit de bezoekers van de site
kwamen.”
Hij houdt ook een site voor de familie bij, met stamboom en al. “Goed voor de familieband, vind ik. Toen Margreet 45 jaar werd bijvoorbeeld, hadden we een grote schare nichtjes uitgenodigd. Prachtig vond ze dat.”
ELFSTEDENTOCHT
Veel mensen zullen zich Jaap nog herinneren als voorzitter van de Hollandse Maatschappij van Landbouw of als lid van de kerkvoogdij. Het zullen er niet veel zijn die weten dat hij driemaal de Elfstedentocht heeft uitgereden, waaronder die van de barre winter van 1963.
De beelden van witbevroren wenkbrauwen en snorren staan op het netvlies van degenen die toe met ontzag naar te televisie keken.
“Ik ben mijn vader heel dankbaar dat hij mij de ruimte heeft gegeven om te sporten. Mijn vader was hervormd en mijn moeder was wat strenger in de leer. Zij vond dat sport niet bij de zondag paste. Mijn vader, die zelf sportief was, liet mij meedoen aan selectiewedstrijden en die werden per definitie op zondag
gereden. Ik ging dus niet zo vaak naar de kerk.” An vult lachend aan: “Toen ik eens nietsvermoedend spontaan tegen zijn moeder zei “we zijn zondag naar het schaatsen geweest”, vond ze dat maar niks.” Jaap beaamt dat de tocht van 1963 inderdaad vreselijk was. An: “maar hij is een enorme doordouwer. Wanneer er iets gedaan moet
worden, dan zal het af. Zo is zijn aard.”
foto Schaatsmuseum Hindeloopen
Zo staat hij ook voor het volle honderd procent achter de toekomstige nieuwbouw bij de kerk. “Om het kerkgebouw te behouden moet er iets gebeuren. Bijvoorbeeld door zalen te verhuren en culturele activiteiten te ontplooien. Het is geen arme kerk; je zult naar mijn mening enig kapitaal moeten aanspreken om
nieuwbouw te realiseren en zo de toekomst van de kerk veilig te stellen. Al zijn de meningen hierover wel eens verdeeld.”
Zowel An als Jaap willen die voor Middenbeemster zo beeldbepalende kerk niet missen.

Hier met kleindochter Noa, foto Bob Muller
“Het is inspirerend om lid te zijn van zo’n gemeenschap.”
Ank Pronk
 |
|
INTERVIEW MET
Blij in een hervormd gezin te zijn opgegroeid .,
Ze wonen met hun drie kinderen, Marijke (17), Wouter(15), Guido(11) aan het einde van de Zuiderweg richting Spijkerboor: Gerda en Jan Zeeman. In de, na een verbouwing, zaalvergrote kamer met open keuken vallen de vazen met oranjerode tulpen op. Mooi geschikt:
Gerda heeft zichtbaar op de tuinbouwschool in Aalsmeer haar opleiding als bloemist voltooid. De in dezelfde kleur gekozen gordijnen ("ze hangen net") geven de kamer een warme sfeer. Na weken van rommel kunnen ze er zeer van genieten.
Dat is mamma.
Gerda vormt samen met Max, Peter, Bert, Nelleke, Karolien en Patty het gezicht van de zondagsschool. Hoelang ze dat doet? Lachend: "ik geloof al zo 'n vijftien jaar. Ik vond het belangrijk dat kinderen de bijbelverhalen kennen; wat ze er later als volwassenen meedoen moeten ze zelf weten." Het afgelopen winterseizoen hield
ze zich bezig met de regie van de musical Jozef, waarvan inmiddels veel mensen hebben kunnen genieten. Ook Wouter en Guido vervulden daar een rol in. Eerder waren de musicals "tot ziens op Patmos", "Jakob", "Saul" en "Naäman" te zien. Met enthousiasme vertelt Gerda: "wanneer we van start gaan wordt eerst de tekst rustig
gelezen. Vervolgens krijgt ieder kind een cd mee naar huis, één met zang, en één met alleen de muziek. Jozef is een moeilijke musical omdat we voor de eerste keer met 'flashbacks' (herinneringsbeelden) werkten. Ook waren alle rollen dubbel bezet. Dat kwam heel goed van pas toen wij de musical in WestGraftdijk en De Rijp
speelden. Er waren twee kinderen ziek en zo konden de anderen het moeiteloos overnemen."
Dat ze zelf piano en blokfluit speelt acht ze zeker een positieve basis voor het mederegisseren van de musical. "Ik heb ook twee jaar toneel gespeeld bij de plattelandsvrouwen in Spijkerboor. Ik herinner me dat Guido eens in de zaal zat, heel klein nog, en dat hij dwars door het toneelspel heen riep,"dat is mamma"
Gerda werd in Amsterdam geboren. Via Purmerend kwam ze in de tweede klas lager onderwijs in Oosthuizen terecht, om vervolgens op haar vijftiende naar de Beemster te verhuizen. Tja .. en daar woonde Jan Zeeman.
Jan is aan de Wormerweg in Beemster geboren, waar zijn vader de kost verdiende als tuinder. Hij was veertien toen zijn vader overleed na op een fiets te zijn aangereden door een dronken automobilist. Het verdriet was groot in de familie Zeeman. Jan trad als akkerbouwer enigszins in de voetsporen van zijn vader en dat vertelt
hij ondanks de nuchtere bescheidenheid hem eigen toch met enige trots en blijdschap. "Ik vind het een prachtig beroep, maar je moet het ook naar je gezin kunnen verantwoorden. Je moet er samen tegen kunnen dat er risico 's zijn, extreem weer bijvoorbeeld, en door allerlei omstandigheden waar je geen grip op hebt, wisselende
prijzen. Vorig jaar bijvoorbeeld brachten de uien zo goed als niets op. Dit jaar was dat beter. Soms kan zelfs een week het verschil maken." Jan verbouwt uien, suikerbieten en aardappelen. De akkerbouw heeft moeilijke jaren achter de rug. Jan is blij, dat hij zo 'n tien jaar geleden, samen met akkerbouwer en Beemsterling Gerjan
Enthoven heeft besloten om tot de teelt van boerenkool over te gaan. "Ons bedrijf drijft op de boerenkool. Die gaat rechtstreeks naar de snijderij. Wij leveren van september tot januari. Vanaf Januari wordt boerenkool uit Spanje gehaald, zo 'n tweeduizend kilometer verderop. Met vrachtauto's die rond de acht ton kunnen
vervoeren. Dat is toch belastend voor het milieu?" "Weet Je", vervolgt Jan zijn betoog over de akkerbouw, "wanneer het in je sector moeilijk wordt om je brood te verdienen, moet je durven veranderen. Ik zie bijvoorbeeld de toekomst in het gebruik van graan als brandstof. De akkerbouw kan op die manier een goede en schone
leverancier van brandstof worden. Daar zou best meer onderzoek naar mogen zijn."
Vijvertjes
Behalve het tulpen-bossen in het voorjaar werkt Gerda niet buitenshuis? Mijn vraag wordt door Jan met een breed, trots armgebaar en een stralende lach beantwoord: "alles wat je hier op het erf ziet is het werk van Gerda. Wie 's zomers langs de boerderij van Zeeman komt, zie op dat erf pompoenen en heel bijzondere drijfschalen,
die als vijvertjes een tuin kunnen sieren. "Handel van de kinderen", verklaart Gerda. De schalen hebben als basis de prachtige structuur van rabarberblad. Met behulp van gaas en cement wordt van dit natuurproduct een mooi object gemaakt, dat bovendien de vorst kan doorstaan.
Ze wonen graag in de polder. "Het is nog echt een agrarische polder, niet zoals in de Purmer, waar je als agrariër wordt ondergesneeuwd door de bebouwing", vindt Jan. "Wij wonen in de Beemster als burgers en agrariërs echt samen en ik vindt dat de aanpassing over en weer aardig is gelukt. Zo moet het ook zijn. Wij hebben hier
een fijne buurt aan de Zuiderweg. Wij kunnen zo bij elkaar binnen lopen, desnoods elf uur 's avonds." Jan was jaren bestuurslid van het Weeshuisfonds. "Ik ga er binnenkort uit, ik heb het met veel plezier gedaan; het is ook zinvol werk. We adopteren op papier bijvoorbeeld kinderen in de derde wereld." Als vanzelf neemt ons
gesprek een wending naar die wereld. Jan: "het is vreselijk wat daar allemaal gebeurt. Wanneer je dan ziet, wat er soms van die hulpacties terecht komt, heb je twijfels over het nut daarvan en over het gebruik van ingezameld geld. Ik geef niet zomaar. Ik kan - om iets te noemen - wel helemaal achter doelen staan als het
Kankerinstituut en de Nederlandse Hartstichting. Je weet dat er heel veel geld nodig is voor onderzoek en dat geld wordt goed besteed. In een aantal landen die worden ondersteund heerst veel corruptie en dan komt het geld niet bij de armsten. "Ik denk dan, als agrariër, vanzelf aan collega 's daar. Met de import van suikerriet
steun je echt geen kleine boeren. Welnee, je helpt de grootgrondbezitters." Gerda vult Jan 's verhaal aan. "Wanneer wij om ons heen kijken kun je voor het merendeel zeggen dat wij het hier rijk hebben. Wanneer iedereen genoeg heeft aan genoeg, dan is er ook genoeg, ook voor de derde wereld landen ."
Een blij geloof
Gerda en Jan groeiden op in een Hervormd gezin. Jan ging naar de Gemengde Protestantse School waar de ochtenden met gebed werden begonnen. "Wij bidden ook voor het eten, samen met de kinderen. Het bijbellezen is er zomaar bij ingeschoten. Raar is dat eigenlijk. Nee, ik ga niet vaak naar de kerk. Er hoeft van mij niet van
alles om een dienst heen te zijn. Koren of andere muziek en zo. Ik was in Putten in de kerk. Nou, dat zwaar christelijke spreekt me niet aan, maar ik vind de overdenking hier in de kerk soms aan de lichte kant. Tussen dit en dat is er ook nog wat." "Maar", wil Gerda kwijt, "wij zijn gelukkig dat wij in een Hervormd gezin zijn
opgegroeid en het is fijn om er in deze gemeenschap bij te horen. Het is hier een blij geloof met veel respect voor elkaar."
Ank Pronk
 |
|
INTERVIEW MET ..
Het kindje komt uit Zuid-Afrika
Er staat een kinderstoel in een huis aan de Purmerenderweg. Eeen bordje en een bekertje erbij. Er is een kinderkamer gereed. Frisse kleuren: orange, blauwen een commodedekje in zwart en wit. een kostelijk schilderij boven die commode met afbeeldingen
van een koe, olifant en giraffe. Alles is klaar. Nu het kindje nog.
Het kindje zal uit Zuid-Afrika komen. Er wordt vol verwachting naar uitgekeken ~ door Lisette en Michel van Oostrom, de aanstaande moeder en vader. "Met evenveel verwachting alsof het uit mijn eigen buik komt", vertelt Lisette. Zo.' stralend ziet ze er ook uit.
Zij komt oorspronkelijk uit Amsterdam. ' Na twaalf jaar in Purmerend te hebben gewoond, heeft. ze drie jaar geleden met Michel in Zuidoostbeemster een huis gekocht. Zeventien jaar geleden' kozen ze voor elkaar. Lisette was zestien. In september 1998 bevestigden ze die keuze met een huwelijk. .
Enkele jaren geleden besloten ze, vanwege een chronische buikaandoening van Lisette en een miskraam, om tot adoptie van een kind over te gaan. Aan, dit besluit ging een periode van operaties en ernstige ziekte vooraf. "ik kon niets meër. Ik was volledig afhankelijk. Michel moest me bij alles helpen. En dat kon hij. Niet iedere
man is daartoe in staat. Hij kan echt zorgen, ik kan helemaal op hem rekenen", vertelt ze. Door haar ziekte belandde ze voor honderd procent in de WAO. Een baan naar haar zin bij de Rabo Edam/Volendam, die was, voorafgegaan door een VWO en makelaarsopleiding, het werd verleden tijd. De miskraam bracht verdriet. Ook een bijna
onverwacht gevoel. "Toen ik in verwachting raakte kreeg ik een soort oermoedergevoel. Er ging een knop om. Dat gevoel ging na de miskraam niet meer over", zegt ze bijna verwonderd. "Tot die tijd had ik niet zo 'n dringende kinderwens, maar nu wist ik het zeker, ik wilde een kind. Dan komt voorzichtig de gedachte aan adoptie. In
mijn familie zijn meer kinderen geadopteerd, dus voor mij was dat niet vreemd. In de familie van Michel kennen ze dat niet en het werd een beetje eng gevonden."
Adoptiecursus
Ongeveer drie jaar geleden werd het besluit tot adoptie genomen door het zenden van een verzoek daartoe aan het ministerie van justitie. "En dan gaat een wachttijd in van twee jaar. Dat is ook echt een wachttijd, er gebeurt helemaal niets", benadrukt Lisette. Er volgt een brief met adoptienummer die leidt tot een van
overheidswege verplichte adoptiecursus. "Die cursus omvat zes bijeenkomsten van drie uur, waarin alles over adoptie wordt toegelicht", legt ze uit. "Zoals onder meer over weeshuizen en eventuele gedragsstoornissen van adoptiekinderen. Zo 'n kind heeft tenslotte al een bagage. Deze voorlichting wordt sinds tien jaar gegeven. Het
heeft ertoe "geleid dat de hulpverlening sindsdien minder aanvragen om hulp kreeg. Nadat het kind er is kun je ook een begeleiding via video-interactie krijgen. Je krijgt als het ware handvatten om te weten wat je kunt doen ter voorkoming van ernstige gedragsproblemen.
Je mag weten dat het natuurlijk is dat je hulp nodig kunt hebben. Je hoeft je . daarvoor niet te schamen."
Na die cursus wordt door de Raad van de Kinderbescherming met de adoptieouders een viertal gesprekken gevoerd.
Lisette: " Dat waren fijne gesprekken, met zeer veel respect gevoerd. De onder werpen betreffen je persoonlijke achtergronden, zoals je jeugd en opvoeding, je band met je ouders, en je relatie. Er wordt ook gevraagd, hoe je denkt je kind op te voeden. Wat verwacht je van een . ,kind. Ik hoop, dat als er problemen zouden komen,
de wederzijdse liefde die problemen in balans houdt."
Na een medische keuring kregen Lisette en Michel in September 2005 toestemming tot adoptie. Dan volgt een nieuwe procedure. Te weten, de inschrijving bij een door het min. van justitie goedgekeurd bemiddelingsbureau. "Elk land heeft zijn eigen eisen aangaande huwelijksduur, gezondheid, geloof en leeftijd. In China is
bijvoorbeeld de minimumleeftijd van de ouders dertig jaar. Bij het bemiddelingsbureau vindt een intakegesprek plaats. Er werd meer informatie gewenst over Lisette 's ziekte. Die kennis werd via de gynaecoloog verkregen. Na deze lange procedurele weg, die door Lisette zonder ook maar een enkele negatieve opmerking wordt
beschreven, kan het nu elk moment zover zijn. Nog even en dan kunnen Lisette en Michel al die mensen die hebben meegeleefd vertellen: Met grote blijdschap geven wij u kennis van..
Blijdschap en droefheid
Alles overwegende zal het kind dus uit Zuid-Afrika komen. "Dat is een apart..
land in adoptieland", vertelt Lisette. De kinderen die via ons bemiddelingsbureau voor adoptie in aanmerking komen wonen niet in weeshuizen, maar in grote. ' pleeggezinnen. Het kind wordt officieel' afgestaan en de biologische moeder helpt veelal mee om de adoptieouders uit te kiezen. Het zijn meestal heel jonge meisjes.
Wanneer er een nieuw kind komt wordt er gebeden om daar een goede plek voor te vinden. Ik zou zo 'n moeder wel willen ontmoeten om te zeggen dat wij goed voor haar kind zullen zorgen. De blijdschap om het kind dat komt is dubbel. Ik voel ook droefheid om zo 'n jong meisjes dat er niet zelf voor kan zorgen. Wij hebben toevallig
het geld om dat kind hier te laten komen. Nee, ik durf niet te spreken over een kans voor het kind, want wij doen het toch ook omdat wij het graag willen.
Vanwege mijn ziekte is er overleg geweest in Zuid-Afrika. Met als slotconclusie: "Als ze het zo graag willen, dan zal het God 's wil zijn. Toen wisten wij heel erg zeker, dat wij een kind wilden adopteren. Zuid Afrika is heel serieus over het geloof. Er moest ook een verklaring van de dominee' worden gestuurd. Naast een aantal
officiële documenten verlangde het land ook een fotoboek van ons leven. Foto 's van onze trouwdag, van familie en vrienden, kunnen een beeld geven van ons leefklimaat. Aan de hand daarvan wordt, in overleg met de biologische moeder, bekeken welk kind bij een familie past.
Er wordt samen gebeden om tot een goede keuze te komen. Christen-zijn is in Zuid-Afrika een voorwaarde bij adoptie." Dat spreekt Lisette aan omdat ze zelf ook het geloof zo beleeft. Ze is katholiekapostolisch van huis uit. "Rooms zonder de paus zeg maar. Ik ben heel christelijk opgevoed. Geloof is belangrijk voor mij. Het geeft
diepte aan mijn leven. Ik weet dat er nog iets anders is na mijn dood. Ik denk dat je dan heel bewust leeft, met het idee, dat je een goed mens voor jezelf en voor je omgeving moet zijn. Of God bestaat is voor mij een zekerheid. Hij bestaat gewoon, ik voel het en ik heb daar nooit aan getwijfeld." Sinds ze in de Beemster woont
gaat ze naar de kapel. "Ik kan niet zeggen, hoe blij ik ben dat ik in de polder woon. Het is hier heerlijk. Zo fijn ook in de kerk.
Het was Nico Schroevers die de verklaring voor Zuid-Afrika schreef.
Nu het kindje nog, schreef ik aan het begin van dit ontroerend interview. Elk telefoontje zou kunnen melden, 'wij hebben ,een zoon of dochter voor u.' "Wij hebben' geen voorkeur", aldus Lisette. "Ik laat het helemaal op me afkomen.
Het kindje zal tussen nul en vierentwintig maanden zijn. Wanneer het zover is krijgen wij via de computer informatie over het kind. Ook bijvoorbeeld of het veel lacht of juist ernstig kijkt. Bijzonder hè? Na tien dagen kunnen wij het in Zuid-Afrika ophalen Wij blijven er twee weken. Na adoptie krijgt het kind meteen onze naam.
Het ontvangt een Hollands paspoort en het is officieel je kind. En dan hoop ik, dat iedereen met spandoeken op schiphol staat.
Oma breit
Het eerste kindje van Lisette en Michel. Het eerste kleinkind van Lisette's moeder. "Die breit en naait of haar leven er van afhangt", lacht ze. Het fraaie commodedekje in bijna symbolisch zwart /wit lijkt oma 's proef in bekwaamheid.
De telefoon gaat. HET bericht. Nee, het is Michel die onderweg is met een verrassing. Lisette, "Ik ben zo benieuwd. Zou het een hobbelpaard zijn? Het lijkt wel of ik alleen nog in kinderdingen kan denken. Binnenkort is het bedje beslapen, de kinderstoel bezet. Een meer dan welkom kind zal op zijn/haar liefdevolle plekje zijn.
Lisette: "Ik ben door mijn ziekte heel erg veranderd. Ik wacht de dingen rustig af. Wanneer je niets meer heb gekund ben je zo blij wanneer je zomaar even buiten kunt wandelen. Zo zie ik het ook met dit kind. Michel is er als een enorme steun wanneer ik door mijn ziekte niet altijd fit ben. Ik weet hoe hij kan zorgen. Het
belangrijkste is: wij krijgen een kind. Dat wil je iets meegeven; liefde en ook de warmte van een kerkgenootschap dat het omringt. Ik heb een brief geschreven aan de biologische moeder. Ik schreef, "ik zal je kind opvoeden in de wetenschap dat het nooit alleen is; dat God er altijd is"
Ank Pronk. Februari 06
 |
|
INTERVIEW MET ..
We hebben een vrije avond!
Mag ik u voorstellen:
Liesbeth en van Wersch en Els Steen. 
Tijdens een feestelijke dienst op 15 januari 06 namen ze afscheid als kerkenraadslid. Ze genoten van de goede woorden en van de muziek en dans van Victor en Natalia Pribylov.
"Ik heb de CD gekocht, ik zal even laten horen hoe de "Bajan" klinkt. Het is toch net een machtig kerkorgel", vertelt Liesbeth enthousiast. Samen waren ze acht jaar lid van de kerkenraad. Samen willen ze dit interview beleven.
Liesbeth: "O ja want we zijn heel goede vriendinnen. We zijn door diepe dalen gegaan, vooral toen Els haar man overleed. Dat was ook een goede vriend van ons."
Daar zaten we dan, in het sfeervolle huis van Liesbeth. Op een maandagavond;
normaal gesproken een vergaderavond van de kerkenraad en nu..... "We hebben echt een vrije avond", aldus Els.
Vrije tijd hadden ze minder toen ze in 1998 aan hun eerste jaar begonnen. De viering van het 375 jarig bestaan van de kerk werd hun vuurdoop. Charles Lourens , met wie ze in de "commissie 375" zaten, droeg tal van ideeën aan.
Els: "onuitputtelijk was hij in het bedenken van plannen, zoals een reünie voor oud-ambtsdragers, een middag voor ouderen, voor jongeren en een boek over de kerk. Te veel om op te noemen."
Liesbeth: "Ik heb wel soep gemaakt voor honderd man. Ik ben echt iemand die onder de mensen moet zijn. Ik praat graag. Els zet meer de puntjes op de "i", zij is ook heel punctueel in de notulen."
Els: "Ik hield de dingen graag kort. Ik was een jaar interim voorzitter van de kerkvoogdij. Je leert veel van zo'n bestuursfunctie. Die kennis neem je de rest van je leven mee. Bovendien waren we als kerkbestuur een heel inspirerend team. Dan heb je er vanzelf acht jaar plezier in".
Liesbeth: "Ik vind het wel frustrerend dat er altijd om geld moet worden gedacht. De zorg over de financiën dringt de spiritualiteit soms op de achtergrond. "
Een pot geurige thee op tafel en een schaal koekjes en chocolade. Het is tijd voor een portretje van Els.
Els
Ze werd geboren in IJmuiden en woonde daarna 18 jaar in Heemskerk. Via enige omwegen belandde ze vijfentwintig jaar geleden met haar echtgenoot Bert van Noort, een politieman en hun twee kinderen, in de Beemster. Dochter en zoon wonen inmiddels niet meer thuis. Ze geniet van haar kleinzoon van tweeënhalf jaar oud en kijkt uit
naar de geboorte van haar tweede kleinkind. Ze werkt als directiesecretaresse bij het Sociaal Cultureel Werk in Purmerend, bij 'Clup Welzijnswerk'. "Heel fijn om te werken met sociale en creatieve mensen".
Eigenlijk is ze apothekersassistente van beroep, maar na een gedwongen ontslag door bezuiniging in de apothekersbranche volgde ze de MEAO en kwam uiteindelijk op haar huidige werkplek terecht.
Negen jaar geleden verongelukte haar man Bert, tijdens zijn werk. "Ik herinner me nog dat ik die ochtend naar de markt ging. Ik voelde me echt gelukkig. Na een wat moeilijker periode liep alles weer fijn. Ik was echt blij. Later op de dag kregen we de boodschap van het overlijden van Bert. Dan wordt je leven overhoop gegooid:
alles stort in. En toch, hoe vreemd dat eigenlijk klinkt, kon' ik er later aan denken dat ik die ochtend zo gelukkig was. Dat bestond ook, dat bleef ik mezelf, bij al het verdriet, voorhouden. Dat gaf me moed. Het medeleven van veel mensen uit de gemeenschap was als een warme deken van troost."
Els heeft een nieuwe relatie en ze straalt wanneer ze erover praat. "Zou je in het verhaal willen zetten dat ik sinds een half jaar samen woon met Piet Groot uit Dirkshorn." Bij deze Els en Piet veel geluk gewenst.
Liesbeth
Liesbeth van Wersch kwam onder de meisjesnaam de Waal ter wereld. In Beemster, waar ze ook opgroeide. Ze woont er met man, zoon en dochter. Na diverse opleidingen volgde ze de Middelbare Hotelschool. Ze deed dat zo goed dat ze in 1984, 19 jaar jong, werd uitverkoren om als eerste meisje ooit, in de bediening te werken in het
prestigieuze Amstelhotel in Amsterdam. Onder supervisie van een bekend Horeca-echtpaar John en Esther Halvemaan heeft ze daar waanzinnig veel geleerd. Zoals kennis van voedsel en wijn. Elke avond moesten we het menu in het Engels en Frans opzeggen. Je leerde bijzondere gerechten en sauzen bij de mensen aan tafel klaarmaken, de
zogenaamde Table d'hotel. Je zag zoveel beroemde mensen. Ik heb ook gillende meisjes moeten tegenhouden toen de Rolling Stones er logeerde. Het Amstelhotel was het hotel waar beroemdheden overnachtten, zoals de beroemde Horowitz, Roger More, Diana Ross en Madonna. Het is een belevenis om die mensen te ontmoeten en te mogen
bedienen." "Tja, dat heb je niet in een apotheek. Ik vond het al mooi dat Marco Bakker een keer bij ons kwam", zegt Els zeer tot ons vermaak, droogjes.
Na drie en half jaar werken in de horeca in Duitsland keerde Liesbeth terug op haar geboortegrond. Sinds enige tijd werkt ze als relatiemanager in het Heerenhuis. Dat betekent Public Relations in de breedste zin. Maar ook wijninkoop en het samenstellen van exposities. Haar man Max werkt als restaurantmanager eveneens in het
Heerenhuis. "We kunnen heel goed samenwerken. Dat deden we als leerling in de opleiding al. We houden ook allebei zeer van koken." Dat kan Els volmondig bevestigen. "We zijn een poosje geleden te eten gevraagd. Nou, dat was zo geweldig, ze feestelijk en bijzonder."
BLIJ DAT IK HIER WOON.
De Beemster: ze wonen er graag. Wat Els betreft was dat zeker niet altijd zo. "Toen ik hier vijfentwintig jaar geleden kwam wonen miste ik de bossen en duinen bij Heemskerk. Ik dacht "in wat voor gat ben ik nu gekomen. En nu? Ik zou niet meer weg willen. Blij dat ik hier woon. De mensen zijn er vriendelijk en je voelt je
veilig". liesbeth: "Ik zal niet zeggen dat de Beemster zaligmakend is, maar ik ben wel verknocht aan de polder. Ik hou van de mensen die er wonen. Qua ruimte zou ik ook kunnen wennen in Scandinavië. We zijn daar op vakantie geweest en de weidsheid van het landschap is overweldigend. Ik hoop dat de polder zijn open karakter
behoudt. Je mag in het algemeen stellen dat onze wieg in een goed land stond. Ik ben me daar echt van bewust. Des te meer reden denk ik, dat je voor het verdriet en de ellende in de wereld je luiken niet mag sluiten. Ook en vooral vanuit je geloof niet". Els: "Doordat er via het nieuws zoveel rampen en ellende op je af komen,
moet je oppassen dat je niet afstompt. Al dat geweld, wat willen mensen daar toch mee bereiken." "Macht, denk ik", zegt liesbeth. Els: "Ze gebruiken geweld om het geloof in te verpakken. Je voelt zo'n onmacht om er iets aan te doen."
STIL GEBED
Liesbeth: "We moeten proberen met kleine dingen ons best te doen, dat helpt ook lijkt me. Dat je aan bepaalde kerkelijke projecten, zoals voor Ghana en destijds die expositie van schilderijen van mensen met het syndroom van Down. Dankzij die tentoonstelling wonen die mensen niet meer in afschuwelijke gestichten maar in de stad.
Daar worden ze gerespecteerd om wat ze zijn. Dan zie je dat we wel kunnen werken aan een betere wereld. Dat is hoopvol."
Wat betekent het geloof in beider leven?
Liesbeth: "Ik was elf jaar toen ik al wist dat ik geloofde. Het was er gewoon. Het lijkt zo zweverig maar zo voelde ik het. Ik ervaar het geloof en ik heb er steun aan. Vanuit dat geloof probeer ik het positieve te zien in de dingen om me heen en vooral om niet te snel te oordelen. Daar moet je steeds weer je best voor doen."
Els: "Ik voel dat minder sterk dan jij denk ik. Ik ervaar het geloof het meest door de mensen die op mijn pad komen. Toen Bert stierf heb ik dat ook zo goed gevoeld." En bidden?
"Vooral in de kerk", klinkt het eensgezind. Els: "Zoals tijdens het stil gebed.
Dat mag van mij best langer duren." Liesbeth: "Helemaal waar, ik ben soms nog niet klaar met bidden."
Ank Pronk. Februari 06
 |
|
INTERVIEW MET ..
Het geloof van moeder meegekregen
Jan Hopman werd 59 jaar geleden op een boerderij aan de Hobrederweg nummer 10 geboren. Het gezin telde vijf kinderen. Broer Piet woont nog op de ouderlijke plaats. Nadat Jan met zijn in 1999 overleden vrouw Gerda negen jaar aan de Middenweg had
gewoond, verhuisde het gezin naar de Hobrederweg nummer 16, waar 24 hectare land wel bij het bedrijf was gelegen.
Een gesprek met Jan: over boeren, de hond, zingen en geloven. Kortom: over een fijne ochtend met een inspirerend mens. We zitten met z’n drieën aan tafel in de grote woonkeuken, met uitzicht op het weidse land.: Jan, ondergetekende en Anouk, de hond, een zandkleurige labrador die van tijd-tot-tijd haar kop op Jan’s schouder
legt, “Kijk baas, ik ben er ook nog”, dat levert een aai en een stukje koek op. Jan glundert, “Ze gaat overal met me mee. We lopen ook samen het land in, schapen tellen.”
Boven een mooie antieke kast (“die is nog van Gerda”) hangen de portretten van zijn overgrootouders. Ene Margaretha Veldhuisen, een mooie Westfriezin met de kap op en een statige in zwart geklede man. “Dat was ook een Jan Hopman”, legt hij uit. “Hij was 35 toen hij stierf, mijn overgrootmoeder bleef achter met vijf kinderen.
Zij werd 56 jaar.”
In een tijd waarin veel agrariërs stoppen met boeren zijn op Jan”s bedrijf veranderingen op til. “Mijn zoon Johan voelt niets voor opvolging, hij heeft een baan waar hij plezier in heeft. Samen met zijn dochter start ik een vennootschap onder firma (v.o.f.) en zij zal samen met haar man hier gaan boeren. Ik hoop het tot mijn
65-ste vol te houden en daarna wil ik wel op de buurt wonen. Er zijn dagen dat ik de hele dag niemand zie hier.”
“Of ik daar goed tegen kan?” Bijna verontschuldigend lacht hij: ”Nou, nee, eigenlijk niet. Ik zie graag mensen. Ik houd ook van vee. Beesten om me heen vind ik prachtig, schapen, koeien en natuurlijk mijn hond. Wanneer je rustig met dieren omgaat, kun je alles mak krijgen.” Het is druk op het erf. “Ja, er is nu gezellig veel
reuring. Er wordt een bovenbouw geplaatst op een in 1994 gebouwde gierkelder. “Toen Gerda ziek werd, kwam het daar niet van. Ongeveer in februari 2006 zal een loopstal klaar zijn. Tot nu toe hadden we een Zuid-Hollandse stal. Wanneer je gaat uitbreiden voldoet dat niet meer. Op den duur moet er ook melkquotum worden aangekocht.
Het bedrijf moet toekomst hebben
Kerstliederen
Tijdens de feestelijke zangdienst in Breidablick zong Jan uit volle borst in het Projectkoor. Enkele avonden per week zijn gevuld met zang. Het werd zijn grote passie. “Vast en zeker. Ik wilde altijd al zingen, ’t kwam er zomaar niet van. Mijn moeder zong in het koor Middelwijck en ze speelde orgel. Mijn vader kon niet goed
zingen, hij ging ook niet naar de kerk. “Maar”, Jan schiet in de lach, “hij beluisterde wel elke zondag twee kerkdiensten op radio Bloemendaal. Daar sprak dominee Toorenvliet. Die man kon preken! Mijn vader, die dus niet mooi zong, galmde uit volle borst de psalmen en gezangen mee. Ik zat dan als klein rot jochie naar hem te
luisteren.”
Het kleine jochie werd grote Jan met een bariton die er mag zijn. Hij zingt in het projectkoor, dat zijn oorsprong heeft in de al bestaande Cantorij, die nog maar weinig leden had. “Ik denk dat we nu zo’n 95 stemmen hebben. We zingen in het Nederlands, Engels en Duits. Uitkijkend naar Kerstmis hebben we zulke mooie liederen
ingestudeerd.

In februari starten we met passiemuziek, toelevend naar Pasen. We zingen “The Crucifixion van John Stainer. Je kunt het zo zien, wat de Mattheus is voor Duitsland is the Crucifixion van Engeland en de Verenigde Staten.” “Ik verheug mij erop.”
Jan zingt ook in het a-capelle koor “Lindenklank” in Onder de Linden. “Best moeilijk om zonder ondersteunende muziek te zingen.” Wacht even Jan, ik maak een lijstje. “Verder ben ik lid van het gelegenheidskoor in Westbeemster, dat eerst alleen bij bruiloften zong en sinds drie jaar ook een Avondwake doet. O ja, en elke dinsdag
ben ik te vinden bij het herenkoor in Westbeemster. Die twee laatste koren horen bij de Rooms-katholieke kerk aldaar. Ik was het eerste Hervormde lid. Ik heb, als voorwaarde om mee te zingen, gezegd dat ik niet zou komen, al was er maar één katholiek lid tegen.” En lachend: ”Nou dat was dus niemand!”
Politiek
Jan ging naar de lagere school in Noordbeemster, vervolgens naar de Ulo in Middenbeemster. "Jammer dat de Mavo weg is. Ja, ik denk ook dat het goed zou zijn geweest wanneer er een Havo etc. bij was gekomen." Jan woont met veel plezier in de polder, maar plaatst enige kanttekeningen bij het beleid. "Ik ben toch enigszins
teleurgesteld in de gemeentepolitiek. Wanneer ik bijvoorbeeld zie hoeveel leges ik moet betalen vanwege de bovenbouw op de kelder, dan denk ik dat er niet echt wordt geluisterd naar de Polderpartij.
Terwijl die partij bij de vorige gemeenteraadsverkiezingen toch veel stemmen kreeg. De VVD, PvdA en het CDA sloegen toen erg snel de handen ineen. Er moest ineens een wethouder bij, ja, van het CDA wel te verstaan. Ik vind drie wethouders wat veel in deze polder." Het zit Jan ook niet lekker dat de manege gaat verhuizen naar de
Nekkerweg. "Een plek van niks",klinkt het kort. "Wanneer de gemeente niet zoveel land had verkocht rond het voormalig fruitbedrijf van Mulder, dan had de manege aan de Middenweg kunnen staan, met een uitgang aan de Volgerweg. Dan had niemand er last van gehad. Maar ja, ik zie ook landelijk dat er vaak niet meer naar burgers
wordt geluisterd. Terwijl wij toch een democratie hebben. Twaalf jaar geleden heb ik al eens een stukje geschreven over het groeiende verschil tussen arm en rijk. Dat zie je nog in versterkte maten in de wereld om ons heen, in landen waar vooral dictaten de baas zijn. Zoals bijvoorbeeld in Afrika.
De leiders daar komen niet op voor hun volk. Het benauwd me dat het verschil, ook nationaal, steeds groter wordt. Het is goed dat daar in veel kerken ook oog voor is."
Een mooi gebed
Jan gaat graag naar de kerk. Zijn vader was Hervormd, moeder Gereformeerd.
Zij werd later Hervormd, ook vanwege de kerk in Middenbeemster. Hij ging op zondagsschool bij meester Jellema in de Noord en deed later belijdenis in de Hervormde kerk. Hij was ook acht jaar diaken. "Met moeder gingen we naar de kerk. Ik heb het geloof echt van mijn moeder meegekregen. Ik vond het altijd zo mooi als er Jehova's
getuigen aan de deur kwamen. Doordat mijn moeder de Bijbel goed kende, praatte zij die met gemak onder tafel." Jan lacht schaterend. "Prachtig was dat".
"Ik houd van een goede preek en dan mag het, wat mij betreft, best een half uur duren. Weet je nog, toen we even geen predikant hadden, toen preekte hier wel eens ene Cor Booij uit de Rijp.
Nou, die kon er wat van. Ik vind het ook heel belangrijk dat een dominee een mooie stem heeft."
"Ja, geloof kan een steun zijn. Ik zeg niet dat dat voor mij zo is. Maar het kan een steun zijn. Ik houd van een mooi gebed."
Ank Pronk
 |
|
INTERVIEW MET..
De kerk als rode draad door ons leven 
Toen Annie Slot-Kwantes uit Zuidoost-beemster drieënhalf jaar geleden voor de tweede maal werd geconfronteerd met de ziekte kanker, kreeg ze in het AMC te horen: “Wij kunnen niets meer voor u doen.” Er waren uitzaaiingen in de longen gevonden. De vijf jaar voordien geconstateerde borstkanker bleek niet – zoals
verondersteld – overwonnen te zijn. Met Ds Schroevers besprak ze één en ander voor het geval het verkeerd zou aflopen. Zo wilde ze heel graag dat de cantorij, waar ze al vijftien jaar bij zong, zou zingen: “Wij gaan op reis met een lied van verlangen.” Ze zingt het voor. Waarom dat lied? “Een verlangen dat ik aan de andere kant
van de tunnel mijn gestorven vader en mijn broer zal weerzien. O ja, daar geloof ik vast in.”
“Het kwam onverwacht, dat bericht van het AMC. Ik had nog zoveel te doen. Zoals de albums bijwerken van de klein-kinderen. Die moesten af.” We bladeren door de liefdevol en creatief samengestelde fotoalbums met tal van momenten en gebeurtenissen en mooie door Annie gemaakte foto ‘s. De jonge levens van de kleinkinderen, gezien
door haar ogen en vastgelegd door haar camera. “Ons geloof en de steun van zoveel mensen heeft ons erdoor geholpen”, is de overtuiging van Annie ‘s man Chris. “Ik krijg goede medicijnen en wij eten gezond. Veel groente en fruit. Wij hebben net in het ziekenhuis gehoord dat mijn ziekte ‘stabiel’ is. Er is weer hoop.
Op bezoek bij Slot: het betekent genieten van gastvrijheid. Ze wonen sinds dertien jaar aan de Purmerenderweg. Het huis werd in 1950 door Chris’ grootouders gekocht. Totdat Chris en Annie het betrokken werd het bewoond door Annie ’s ouders. “Voor ons is dit huis zo vertrouwd. We kwamen er al vaak. Ik vanaf mijn jongensjaren”,
vertelt Chris. Het huis is bijna paradijselijk aangekleed met een voor- en achtertuin vol bloemen, met als blikvanger de in uitbundige pracht bloeiende fuchsia ‘s. Eigen kweek van de tuinderij aan het Zuiderpad waar ze van 1962 tot 1996 in het in 1929 door Chris’moeder van de kerk gehuurde bedrijf werkten. De eerste tien door
Annie opgekweekte stekjes van de fuchsia zijn inmiddels met 1500 soorten in veelvouden tot bloei gebracht. Zoons Paul en Martin die nu het bedrijf runnen, staan voor 100 % achter de fuchsiateelt die dan ook economisch een gezonde poot onder het bedrijf is. Een bedrijf waar de taak van Chris, die in een maatschap werkte met zijn
zoons, nu wordt uitgevoerd door schoondochter Hennie, de vrouw van Martin.
Een dag met een gouden sterretje
“We komen nog vaak in het bedrijf; dan drinken we samen koffie en lopen door de kas. Wanneer ik dan al die prachtige kleuren zie voel ik me zo gelukkig. Ik denk dat ik me daardoor ook goed voel. Voor de oogstdienst hebben we vorig jaar uitgeholde pompoenen met herfstbloemen gevuld. Dat was weer zo ’n dag met een gouden
sterretje.” Chris vult aan: “Door Annie ’s ziekte besef je eens te meer wat het betekent om te mogen leven. Je waardeert vooral ook de kleine dingen, de alledaagse vreugden.”
Chris verricht met groot plezier hand- en spandiensten in de tuinderij. Annie doet dat wanneer haar gezondheid dat toelaat. “Ik ben zo ’n prater hè, veel mensen denken dan dat je je altijd fit voelt, maar Chris ziet me ook misselijk en ziek in de ochtend.” Dat belemmert haar niet om volop aandacht te schenken aan de vier
kleinkinderen, de historie van de Beemster, de kerk en alles wat haar snelle geest boeit. Chris luistert geamuseerd naar haar verhalen. “Dankzij onze moeders hebben we twee bananendozen vol met kerkbodes, vanaf 1947; ook stapels met edities van de Binnendijks en volop oude foto ‘s. Ik ben al net zo bewaarderig. Toen de Kapel in
2001 50 jaar bestond kon uit ons archief worden geput. We hebben zo ’n mooie viering gehad. Ik kan van harte zeggen dat de kerk als een rode draad door ons leven loopt.”
Ze zijn beiden geboren en opgegroeid in de Beemster. Ook georiënteerd op Middenbeemster, maar toch vooral op de Zuidoost, waar hun bedrijf gevestigd is en – centraal punt in hun leven – de Hervormde Kapel. “Chris was jaren lang leider van de destijds door ds. Oldeman en hulppredikster Hoving opgerichte jeugdvereniging, het
Kompas. Ik mocht na mijn zondagsschoolperiode assistentje zijn van juffrouw Hoving, dat zal zo ongeveer in 1950 zijn geweest”, vertelt Annie. Chris herinnert zich lachend het toneelspel, “De ridders met de zilveren schilden”, dat door de jeugd van het Kompas werd uitgevoerd in een wijkgebouw op de plaats waar nu het Buurthuis
staat. Ten tijde van ds. Hanenburg was ik ouderling. Ik heb in de kerkvoogdij zaken zien veranderen. Ik denk dat er destijds nog meer waarde werd gehecht aan behoud van het land dat eigendom is van de kerk. Begrijpelijk wanneer je bedenkt dat in het kerkbestuur meer zelfstandige – vaak agrarische – ondernemers vertegenwoordigd
waren. Ik heb het idee dat daar tegenwoordig soms iets anders over wordt gedacht. Het lijkt me goed om gebouwen af te stoten om plannen te realiseren, maar land? Land behoud zijn waarde. Dan heb je middelen om een dominee te bekostigen. Onze gemeente heeft altijd een hele dominee kunnen betalen, geen halve, zoals in veel
gemeentes het geval is.
Woningbouw in Zuidoostbeemster? “Een goede zaak”, vindt Chris. Met kanttekeningen: “geen hoogbouw en veel groen. Je kunt er wel tegen zijn, maar je wilt toch dat je kinderen hier ook kunnen wonen.
Zestien was Annie toen ze verkering kreeg met haar Chris. Ze deelden de interesse in alles wat groeit en bloeit en in het korfballen. Chris was twintig jaar wedstrijdsecretaris van de zaal bij BEP, net als zoon Paul.
De vrouwenkring, een warme deken
Annie is geen mens voor officiële functies anders dan haar moeder die tien jaar kosters was en voorzitter van de zuster-kring. “We vinden het fijn om, overal waar nodig, een handje te helpen. Zoals nu we geen koster hebben in de Kapel. Chris helpt ook bij het netjes houden van die ruimte. Het gaat om het gemeenschap gevoel.”
Dat gevoel vindt Annie al vele jaren bij de ‘Vrouwenkring De Kapel’, de in 1949 als Zusterkring opgerichte club. Ontroerd (“ik ben sinds mijn ziekte zo emotioneel”) vertelt ze hoe hecht de band is. “We leven in alles met elkaar mee. Heel intens. Ik heb dat ook zo sterk gevoeld. De vrouwenkring is als een warme deken voor mij.
Ik kan niet meer ’s avonds naar bijeenkomsten. Daarom ben ik zo gelukkig, dat er in het programma ook vier middagen zijn opgenomen”, eindigt ze stralend. Zelf heeft ze ook regelmatig een deel van een programma verzorgd. Zoals aan de hand van spulletjes uit haar groetmoeder ’s tijd, een logeerpartijtje beschrijven. “Zelfs de po
was origineel.” Niet verbazingwekkend voor wie de hoge kast in de kamer heeft gezien gevuld met allerhande aardewerk en porselein. De waarde is er vooral één van herinneringen, zoals een koddig kinderserviesje, waar ooit mee gespeeld is door de grootmoeder van Chris. De kast vol verhalen is dierbaar.
Menigeen zal hebben genoten van Annie ’s gedichten. Het is haar grote liefde en hobby: poëzie. Vanaf jonge leeftijd verzamelde en schreef ze gedichtjes. “Ik schrijf over van alles: De Beemster, de natuur, kinderen en dieren. Ik kan daar alles in kwijt. Ik verwerk er mijn vreugde in en mijn verdriet. Desnoods schrijf ik ’s
nachts op wat me die dag heeft getroffen.”
Ik vind wat dichtregels van Annie daarom een mooi slot van dit interview.
“Je hebt mijn liefde, mijn Beemsterland
aan jou heb ik echt mijn hart verpand.
In de wei de schapen en koeien
even verder lammeren die stoeien.
Dan bekruipt me zo ’n dankbaarheid,
dat God ons met zo ’n wonder verblijdt.”
 |
|
INTERVIEW MET..
Ze hebben me weer praten geleerd.
Marrie Bergman woont sinds anderhalf jaar in Breidablick. Ze was negenen-dertig toen ze, 48 uur na de geboorte van haar zoon Thomas een hersenbloeding kreeg. Ze zou twee maanden in coma blijven. De baby werd op haar borst gelegd in de hoop haar tot bewustzijn te brengen. Het mocht niet baten. Toen ze bijkwam was de schade
groot. “Ik kon niets meer; niet lopen, niet slikken, niet praten en – voegt ze er illustratief aan toe – niet piesen en niet kakken.” ”Ik ben van heel ver gekomen.”
Ze zit in een rolstoel. Er zijn beperkingen, maar “ze hebben me weer praten geleerd”.
Ja, ze wil – na enig nadenken – haar verhaal wel vertellen voor dit kerkblad. Eerst wordt op het terrasje een sigaretje gerookt.
Wij gaan naar haar gezellige kamer. Aan de wand een grote reproductie van de waterlelies van Monet. Met de beroemde blauwe tinten. Ook hangt er een blauwe trouwfoto met een beeldschone bruid – Marrie – in een felrode creatie en een even rode bloem in het mooie donkere haar. “Nou, van dat rood keken ze in de kerk wel even op,
hoor”, zegt ze met duidelijk plezier. Blauwe irissen in vaze, een aantrekkelijk werk van eigen hand, een zeegezicht van Noordwijk, en veel sfeer, veel blauw. “Ik ben dol op die kleur.”
In september wordt ze negenenveertig. Zoon Thomas, die bij zijn vader in Noordwijk woont, wordt tien. Ze ziet hem elke zondag. Kortgeleden is de officiële scheiding van Marrie en haar echtgenoot uitgesproken. “Het was moeilijk”, klinkt het kort. En dan, enthousiast, “volgend jaar wordt ik vijftig en dat ga ik groots vieren. Ik
huur een bus en ga uit met mijn collega ’s van het werk en met familie.”
Dit jaar is zij met vakantie op haar verjaardag. “Ik ga tweemaal per jaar op vakantie, ook nu. Mijn zuster heeft een boerderij in Frankrijk, daar ben ik ook geweest. Ik reisde altijd graag. Ik ben in Indonesië geweest en in Florida. Als meisje ging ik, net als mijn zussen, met mijn vader mee, die bloembollen-exporteur was. Hij
kwam uit Anna Paulowna, ik ben geboren in Sassenheim. Door die reizen met mijn vader heb ik alle scandinavische hoofdsteden gezien, tot aan Helsinki in Finland. Mijn vader vond het fijn wanneer een van ons meereisde op de vrachtauto, dan had hij iemand om mee te kletsen tijdens zo ’n lange reis. Wij vonden het geweldig om mee
te gaan.”
De herinneringen aan haar jeugd, de trouwdag en niet te vergeten haar werk als afdelingshoofd in de Z-verpleegkunde (‘zwakzinnigenzorg’), dat zij tot aan de geboorte van Thomas deed, staan onuitwisbaar in haar geheugen gegrift. “Ik weet nog dat wij zoveel mogelijk leuke activiteiten voor de mensen bedachten om zowel binnen als
buiten te kunnen doen.” Haar korte-termijn-geheugen is grotendeels weg.
Breidablick is prachtig
Voordat Marrie naar Breidablick kwam woonde ze in een verpleeghuis in Sassenheim. Haar gezicht spreekt boekdelen wanneer ze er over praat. Ze weet er maar één typerend woord voor; “ballentent”. “Hier is het prachtig, Brei-dablick”, zegt ze en ze spreidt haar armen richting korenveld als om de weidsheid van haar uitzicht te
benadrukken. Ze zal het nog een paar maal herhalen. “Ik werk hier en ik voel me nuttig. Ik bak koekjes voor de winkel. ’s Morgens en ’s middags een paar uur. Soms vind ik dat ze hier ook wel eens het onmogelijke van je vragen. Bijvoorbeeld wanneer ik de tafel moet dekken. Mijn rolstoel is niet zo wendbaar en dat is dat een
lastig karweitje.”
Dat in Breidablick uit principe geen televisie gekeken wordt vindt ze geen probleem. “Vroeger keek ik wel eens naar twee voor twaalf. Vond ik leuk maar ik mis het niet. Ik lees graag tijdschriften of een boek. Ik ga vroeg naar bed, want dan wil mijn gat ook wel eens rust na al dat zitten in de rolstoel. Soms ga ik naar een
culturele avond; laatst was er een optreden van een shantikoor met zeemansliedjes, dat was vrolijk.”
Op haar bureau ligt een lijstje met bezoekers voor de komende tijd. Veel? “Nou, best wel, mijn vier zussen en mijn broer komen ook regelmatig. Nee, geen mensen van mijn vroegere werk. Ach, dat is ook te ver weg, hè.”
Ga met God
Geen televisie dus maar wel muziek. Ze houdt van de muziek van André Rieu en van de Belgische formatie ‘Vaya con Dios’. “Ik val in slaap met een zacht muziekje”, zegt ze met een glimlach.
Vaya con dios, ‘ga met God’; ervaart ze dat zelf zo? Geeft het haar in het leven van elke dag troost, dat geloof in God? Er is immers in haar leven nogal wat gebeurd. Hevig verdriet, een volkomen andere toekomst dan verwacht. Het blijft even stil. Ik herhaal de vraag. “Nou, nee, niet echt”, klinkt het. “Ik vind het fijn om naar
de kerk te gaan. Hier wordt geen hel en verdoemenis gepreekt. Maar troost in het dagelijks leven? Nee, toch niet. Wel denk ik dat ik door het geloof soms verlang naar de dood en dus naar de hemel, waar ik dan weer gelukkig zal zijn.”
Ank Pronk
Dankzij vrijwilligster Ursula van Rijn kan Marrie met enige regelmaat de kerkdiensten te bezoek.
 |
|
INTERVIEW MET..
Er is meer saamhorigheid in de polder
Hij woont al 75 jaar aan de Nekkerweg, in het huis waar hij in 1929 is geboren: Ab de Groot. Rond 1922 kocht zijn vader een perceel groen weiland van de familie Koopman. Op gescheurd land begon hij een tuinderij. Met koude-grondproducten als tuinbonen, groene erwten, sperziebonen en ’s winters met spruiten en voederbieten werd
in die malaisetijd van de twintiger en dertiger jaren een vaak karige boterham verdiend. Gewoonlijk hielden tuinders in de winter een paar koeien voor de melk. Ab: “Dat werd de melkpot genoemd. In het voorjaar werden de dieren verkocht voor de vetweiderij.”
Ab de Groot trad in de voetsporen van zijn ouders en werd ook tuinder. “Ik volgde een tuinbouwcursus, daarna de vakschool voor de fruitteelt en aanvullende cursussen.” Tot 1965 werkte Ab samen met zijn vader en na diens overlijden nog ongeveer vijf jaar met zijn moeder. Er veranderde veel in de agrarische bedrijfsvoering in het
algemeen, zo ook in het beroep van tuinder. De boomgaard met hoogstamfruitbomen als o.m. stoofperen en appels maakte plaats voor een perceel met rode bessen. “Gemakkelijker in onderhoud en er kunnen meer struiken staan op hetzelfde stuk grond”, licht Ab toe. “Er staan twee in 1936 geplaatste kassen die mijn vader aanschafte
nadat hij op excursie was geweest naar het Westland, de glazen stad bij uitstek.”
Frankenthaler
Tijdens een zonovergoten wandeling met Ab over het bedrijf blijkt in een van de kassen nog een zestig jaar geleden door zijn vader geplante druivenrank te staan. Verweerd en knoestig, maar met nieuwe uitlopers die over enkele maanden de smakelijke donkerblauwe Frankenthaler druiven zullen dragen. Deze delicate druif wordt
rechtstreeks aan de detailhandel verkocht. “Via de veiling is dit niet meer mogelijk”, vertelt Ab. “Van de tien veilingen in de wijde omtrek is er niet een gebleven. Kleine tuinders die nog een halve pallet vullen, kunnen op het aanleverpunt in Wervershoof terecht, maar mijn vijftien kistjes, dat is niks. Vanuit Wervershoof
gaan de gewassen vervolgens naar de veiling in Barendrecht.”
Er klinkt spijt in Ab’s stem wanneer hij vertelt over de teloorgang van de augurkenteelt en de suikermeloenen. De concurrentie uit landen waar de zon het fruit rijpt is te groot gebleken. Met zichtbare genegenheid vertelt hij over zij moeder die langs de struiken rode bessen liep en daar voorzichtig de eerste rijpe vruchtjes
plukte en in een doosje deed. Op de veiling kochten welgestelde Amsterdammers verrukt deze eerste oogst. “Dat was zo ongeveer in 1970”, aldus Ab, “maar dat het je nu niet meer. Je kunt het hele jaar alles kopen, waar het ook vandaan komt. Er zijn geen primeurs meer. Jammer, want dat was toch heel bijzonder.”
Oliebollen
Wie Ab de Groot zegt denkt bijna onmiddellijk aan oliebollen. Dat is niet zo verwonderlijk, want hij was immers vanaf 1961 betrokken bij de organisatie om deze traditionele lekkernij ten bate van de kerk aan de man te brengen. De oliebollenactie staat ter discussie. Is het nog haalbaar? “De opbrengst is nog goed”, weet Ab,
“maar het bezorgen is een probleem. De jonge mensen van 45 jaar geleden zijn inmiddels ook ouder en haken af en het is niet gemakkelijk jongeren te vinden die langs de huizen willen gaan” Samen zijn we het erover eens dat we de ouderwetse appelflappen die vervangen zijn door de deftiger appelbeignets, zeer missen.
Kerstboom
Evenzeer als hij geniet van zijn vak als tuinder, zozeer ook ligt zijn aandacht bij het kerkelijk reilen en zeilen. “Vader en moeder hebben de eerste aanzet gegeven voor die interesse. Ik kan er mijn ambitie in kwijt. Samen met destijds dominee Hanenburg hebben we een jongerengroep opgericht. We hielden bijeenkomsten en
studeerden een lekenspel in. Ik ben ook zo’n twaalf jaar notabel geweest. Dat houdt in dat je voor het bestuur van de kerk toezicht houdt op de kerkelijke goederen, landerijen en opstallen. Ik werd gevraagd om notabel te worden.” Bijna verlegen voegt hij eraan toe “het is niet echt een eretitel, maar het ligt er dicht tegenaan.
Later veranderde het woord notabel in ouderling/kerkvoogd, met iets meer bevoegdheid en nu heet het kerkrentmeester. Ik vind dat een mooi woord, want we zijn toch ook rentmeesters van de aarde. In 2004 heb ik die functie neergelegd, ik werd toen 75 jaar.” “O ja”, grinnikt hij vrolijk, “voor ik het vergeet, ik zorgde ook
jarenlang dat er voor de Kapel, de kerk en de zondagsschool een mooie spar kwam voor de kerstvieringen.”
Suriname
Door het woord rentmeester komen we toch weer uit bij de tuinderij en met een omweggetje bij de derde wereld. In de kassen gebruikt Ab geen bestrijdingsmiddelen. “Ik werk daar biologisch door roofmijt te gebruiken om schadelijke insecten te weren. Overigens is de controle op een juist gebruik van middelen uiterst streng.
Stapels formulieren moet ik invullen en met grote regelmaat staan onverwacht de AID (Algemene Inspectie Dienst) en de politie op de stoep. Ik ben het ermee eens dat verkeerde middelen slecht zijn voor het milieu, maar ik vind het wel hypocriet dat we nog steeds bij ons verboden bestrijdingsmiddelen exporteren naar derde
wereldlanden. Net of we denken dat het niet uitmaakt dat daar de grond wordt vergiftigd. Weet u dat de ecozone in Suriname door de winning van goud en bauxiet vernield wordt? Het grote voorlichtingscentrum in Suriname, Wageningen genoemd, ligt er verpauperd bij. Vanwege de rijstcultuur en de katoenteelt, die geëxporteerd worden
door grootgrondbezitters, vliegen regelmatig vliegtuigjes met gif boven die akkers. Ook de moestuinen van kleine boeren en de vissen worden door dat gif bespoten.” Het onderwerp roept emoties op en Ab’s betrokkenheid is groot. Hij heeft verscheidene Surinaamse vrienden die regelmatig hielpen in de tuinderij. “Zij vertellen hoe
slecht de situatie in Suriname is voor de bevolking. Ik denk dat de onafhankelijkheid in 1976 slecht werd voorbereid.”
Saamhorigheid
Terug naar de Beemster. Ab voelt zich er thuis. Hij hoopt altijd op zijn bedrijf te kunnen blijven. Tot anderhalf jaar geleden deed hij al het snoeiwerk nog zelf. Nadat hij een heup brak moeten anderen een handje helpen. En hulp kreeg hij, tot op de dag van vandaag. Hij vindt het spijtig dat er steeds minder boeren zijn. “Het
is toch ook jammer dat het aantal koeien in de wei sterk is afgenomen. Dat zwart/bonte vee hoort toch in het Beemster landschap.”
Dit mag dan een minpunt zijn, Ab is zich ervan bewust dat er wat betreft de menselijke contacten in de polder heel veel verbeterd is. “Vroeger waren de tegenstellingen tussen bijvoorbeeld rooms-katholieken en protestanten groot. Ook tussen veeboer, akkerbouwer en tuinder bestond een sociale kloof. Ik denk dat met name de
Beemster Gemeenschap als overkoepelende organisatie en de Raad van Kerken met het initiatief voor een Open Dag de mensen tot elkaar hebben gebracht. Er is meer saamhorigheid en zo hoort het ook.”
Het is warm op het erf wanneer ik de fiets pak voor de terugweg naar Middenbeemster. Samen met Ab kijk ik ten afscheid nog even naar de mooie kippen en de imposante haan en vooral, naar de enig overgebleven hoogstam appelboom. Er groeien geen appeltjes meer aan, de stam ziet er verdord uit, maar hij werd ooit geplant door Ab’s
vader en dat telt.
Ank Pronk

|
|
INTERVIEW MET ...
Veel mensen vonden in de loop der jaren de weg naar de boerderijwinkel aan de Volgerweg waar producten van de biologisch-dynamische veehouderij 'Sonnevanck' worden verkocht. Het familiebedrijf van Maarten, Guus
en zoon Jan Waal werkt sinds 1989 bio-dynamisch.
Dit houdt in dat geboerd wordt volgens het gedachtegoed van de filosoof Rudolf Steiner, waarbij duurzaamheid centraal staat.
Toen Maarten in 1957 zijn grootvader opvolgde op Sonnevanck was het een veehouderij zoals vele andere. Het bedrijf telde twintig koeien en twintig schapen. Er was een werkman in dienst voor tachtig gulden in de week plus vrij wonen. Eenmaal in de drie weken had deze een vrij weekend. Dan hielp Guus bij het melken dat toe nog
handwerk was. Het bedrijf is nooit intensief geweest. Het had als stevige economische poot goed stamboekvee zowel van koeien als van schapen. Export van jongvee vormde een aardige bron van inkomsten.
Toen in de jaren 60 de melkmachine zijn intrede deed werd vanwege investeringen en stijgende lonen een werkman te duur. "Het moest al maar meer", licht Maarten toe. Zoals meer agrariërs in de Beemster verhuurden ook Guus en Maarten land aan een bloembollenteler.
Guus: "We hebben dat enige jaren gedaan, maar omdat er dan aardig wat bestrijdingsmiddelen op je land worden gebruikt zijn we daar mee gestopt". De onstuitbare schaalvergroting bleef ze dwars zitten. Ze konden er niet achter staan. Doordat Guus nogal eens bij een alternatief winkeltje op het Wormerplein kunstnijverheid en
consumptieproducten kocht, groeide voorzichtig het idee om op een milieuvriendelijker en kleinschaligere bedrijfsvoering over te gaan.
HET PASTE BIJ ONS
Maarten: "Het heeft zo'n vijf jaar innerlijke strijd gekost of we dat wel zouden doen. We hadden vijf kinderen en we wilden toch zeker weten dat we het financieel konden redden. We oriënteerden ons dus goed. Daarbij ontmoetten we zeer gemotiveerde en principiële mensen. Het voelde geweldig, het was of we eindelijk thuis kwamen.
Het paste bij ons. We hebben toen allebei een cursus biodynamische landbouw gevolgd. Zo werkt een tuinder bijvoorbeeld met een zaai kalender die aangeeft wanneer het de beste tijd is om een bepaald gewas te zaaien. In de veehouderij werken we met vaste mest. Door de mest gaan stro en kruidenpreparaten. Die substantie blijft
negen maanden op de mestplaat liggen. Dat is prima compost, omdat die deels al verteerd is. Het gras neemt dat goed op en het gebruik van kunstmest is daardoor onnodig. De koeien liggen in een potstal op stro. Daardoor hebben we nauwelijks klauwproblemen. Bovendien liggen ze warm omdat het stro broeit".
Guus vult aan: "Het mooie was dat ons inkomen steeg in plaats van te dalen.
Dat is nu minder doordat onze prijs gekoppeld is aan de reguliere teelt. Door al dat gestunt met prijzen door de supermarkten wordt het er niet beter op. Wij hebben destijds geboft, omdat we profijt hebben gehad van het werk van de eerste bio-dynamische boeren uit de jaren 70. Die hadden door hun baanbrekend werk het pad al
geëffend".
IK VOEL ME THUIS IN DE KERK
Guus komt oorspronkelijk uit Jisp, maar vindt de Beemster "heerlijk". "Het is een prachtige polder met goede grond, waard om zorgvuldig op te passen. Je hebt de aarde te leen, dat schept verplichtingen". Maarten hoopt dat boeren een kans houden in de polder.
Niet alleen in de Beemster, maar ook in de Hervormde Kerk voelt Guus zich goed.
"Wanneer ik daar zit en het licht valt door die glas-in-loodramen, dan voelt ik me fijn in de kerk, thuis. Ik ben, natuurlijk ook doordat ik er in ben opgevoed, overtuigd vrijzinnig hervormd. Ik ben met veel plezier twaalf jaar diaken geweest, omdat het een sociale functie is".
Dat sociale aspect vindt ze ook terug in de boerderijwinkel. Op donderdag, vrijdag en zaterdag verkoopt ze daar de producten van het eigen bedrijf zoals rundvlees, lamsvlees en eieren. Daarnaast delicatessen van de waddeneilanden zoals heerlijke jam.
In de sfeervol ingericht winkel is het goed kiezen. Guus: "Ik geniet van het contact met mensen. Het is zo'n waardering van je werk dat ze het lekker vinden. Mensen praten graag, ze willen contact", bevestigt Maarten, "het is logisch dat een kassière in de supermarkt daar nauwelijks tijd voor heeft".
ZORGBOERDERIJ
Beiden vinden het ook van belang dat de lijn van productie naar afzet kort is. "Dat betekent duurzaam produceren. Dan zit je niet met overproductie. Weet je wat ik erg vind", benadrukt Guus, "dat wij onze producten dumpen op lokale markten in de Derde Wereld. Kleine boeren worden daar de dupe van".
Guus en Maarten, ze praten met enthousiasme over hun boerenbedrijf, over hun winkeltje en over de kerk. Het is prachtig om te zien hoe ze beginnen te stralen wanneer er sprake is van de omgang met mensen die in meer of mindere mate moeten leven met een handicap.
Maarten is tien jaar geleden als invalkracht bij Breidablick gekomen. Bijna verlegen zegt hij "dat zo geweldig fijn" te vinden. Via Purmerend hadden ze twee uit Amsterdam afkomstige gehandicapten te gast op de boerderij. Met warmte vertelt Guus hoe die mensen hebben genoten van de omgeving. "Als ik dan zie hoe Maarten ze
rondleidt en hoe hij achter de rolstoel loopt, dan ontroert me dat. We denker er over om die activiteit uit te breiden. Inderdaad, als zorgboerderij te functioneren. Weet je, boeren zijn eigenlijk eenzaam aan het werk. Wanneer je er iets bij doet dat bij je past en waardoor je mensen ontmoet, dan word je daar gelukkiger van".
Ank Pronk
 |
|
INTERVIEW MET …
"MAMA, WAAROM ZIJN HIER GEEN BERGEN?"
Karwan Muhammed Ahmed uit Koerdistan woont met zijn vrouw en twee kinderen in Middenbeemster. Sinds 1996 zijn zij in Nederland na te zijn gevlucht voor het geweld van Saddam Hoessein tegen de Koerden die "hij minder behandelde dan dieren", aldus Karwan. De protestantse gemeente kent het gezin van onder meer "Eten met de buren".
De kinderen, Shatou, een dochter van tien en Dylan, een zoon van drie jaar, spreken goed Nederlands. Ook met Karwan en zijn vrouw Sazan is prima een gesprek te voeren in de Nederlandse taal. Al bekend Sazan verlegen lachend dat zij de taal nog beter moet leren. "Ik leer veel van mijn dochter." Het gezin wacht al acht jaar op
een definitieve verblijfsvergunning, de zgn. A-status. Daarom ditmaal niet een interview met een lid van de kerk, maar met medemensen die zich in Middenbeemster thuis voelen, maar die zich naar de maatstaf van onze wetgeving nog steeds niet thuis mogen noemen. Het is een verhaal over laksheid van prodeo advocaten, een brij aan
bureaucratische documen-ten in een zwarte koffer, maar bovenal een verhaal over wachten en over mensen die bijna alle hoop verloren hebben. Bange mensen die weten dat ze in eigen land niet veilig zijn, ongeacht wat de Nederlandse overheid zegt. Dit is ook een verhaal over heimwee en een kind van 2 ½ jaar dat in een
asielzoekerscentrum naar buiten kijkt en vraagt: "Mama, waarom zijn hier geen bergen?"
Hulpverlener
Op 28 december 1996 kwam Karwan Muhammed Ahmed met zijn vrouw Sazan en hun toenmalig tweejarig doch-tertje Shatou op Schiphol aan. Zij waren via Iran en Turkije, met tussenkomst van mensensmokkelaars gevlucht uit het noordoostelijk Irakese deel van Koerdi-stan dat aan Iran grenst. Ze kwamen uit de stad Sulaimania. Saddam
Hoessein had een banvloek uitgesproken over iedereen die ooit had samengewerkt met Amerikanen of Engelsen. Hij achtte ze staatsgevaarlijk en vond dat zij als verraders de doodstraf verdienden. Karwan hoorde daarbij. In 1988 voerde Saddam een gifaanval uit op de Koerden. In 1991 volgde een opstand van de Koerden. Karwan werkte
een jaar in een vluchtelingenkamp voor de Amerikaanse organisatie Intern. Resque Committee. Hij was hulpverlener met een medische achtergrond en werkte tevens als tolk /vertaler. Hij spreekt Engels, Arabisch, Koerdisch en Farsc (de taal van Iran, het Nieuw Perzisch). Karwan:"De omstandigheden in de vluchtelingenkampen waren
vreselijk. Er was geen water of sanitaire voorzieningen en letterlijk alles moest worden geregeld. We hebben in die tijd 25.000 kinderen gevaccineerd". Na dat jaar werkte Karwan vijf jaar voor de Engelse afdeling van de internationale mensenrechtenorganisatie Save the Children Fund.
Na de inval van Saddam Hoessein in Koerdistan op 31 augustus 1996 vluchtte Karwan met zijn jonge gezin naar Iran en vervolgens naar Nederland. De Amerikaanse organisatie waar Karwan een jaar voor had gewerkt, zorgde voor de evacuatie van zo'n 7.000 Koerden. De Engelse organisatie deed dit niet en Karwan moet op eigen kracht
vluchten. Tijdens die barre tocht werden zijn gezin en vele anderen bestookt door sluipschutters. Sazan vertelt geëmotioneerd dat de kogels rondom haar neerkwamen. Ze zag mensen dodelijk worden getroffen. Kort na aankomst in Nederland op 28 december was het oudejaarsavond. Om 24.00 uur werd vuurwerk afgestoken. Een feestelijk
moment voor velen, een herbeleving van angst voor Sazan.
Onzekerheid
Het gezin kwam via opvangcentra in Haarlem, Roosendaal en Assen in Middenbeemster terecht. Tijdens hun verblijf in die centra kwam Karwan’s talenkennis weer van pas. Hij laat me uit een zwarte koffer vol documenten trots enkele getuigschriften zien. Roosendaal:"Uitstekend gewerkt als vertaler bij psychosociale opvang." Assen
geeft een zelfde positieve beoordeling. "Hij is altijd overal aan het helpen", zegt Sazan liefdevol. Hulp aan het gezin werd gegeven door de gemeente Beemster en via het Vluchtelingenwerk Beemster door Mary en Jaap Jansen. Ze zijn er blij mee. En hulp konden en kunnen ze heel goed gebruiken, want naast de intensieve zorg voor
twee zieke kinderen zijn ze langzamerhand wanhopig van onzekerheid. De lijst van tegenslagen dreigt te lang te worden. De eerste hun toegewezen advocaten lieten termijnen verlopen waardoor vereiste documenten niet op de juiste dat werden ingeleverd. Hun derde in Amsterdam woonachtige advocaat heeft zich enorm voor hen
ingespannen, maar moest echter wegens ernstige ziekte stoppen met zijn werk. Karwan: "Meneer Jansen heeft voor een andere advocaat gezorgd, in Haarlem. We hopen opnieuw. Weet u, we begrijpen het niet. We hebben nog steeds geen definitieve verblijfsvergunning terwijl mijn papieren in orde zijn. Ik heb een bewijs dat ik bij Save
the Children heb gewerkt. Vier collega's van mij die daar ook werkten kregen al lang geleden een vergunning. We hebben van september 2004 tot januari 2005 moeten wachten op onze pasjes van de Immigratie- en Naturalisatiedient (IND), omdat onze gegevens zoek waren. We hebben nu een verblijfsvergunning op humanitaire gronden tot
september 2005. We hebben met goed resultaat de inburgeringcursus gevolgd, maar hoe kan ik nou goed inburgeren als ik niet werk. Welke baas wil mij voor een half jaar werk geven? Ik wil zo graag werken." Intussen heeft Sazan, bij wie de tranen voortdurend op de loer liggen, foto's van haar familie in Koerdistan op schoot. Ze
mist haar moeder en haar broer. Haar moeder heeft haar kleinzoon nooit gezien en kent haar kleindochter alleen als tweejarige. Sazan staat op de foto als stralende bruid temidden van haar familie.
Karwan kan maar een oorzaak bedenken waardoor alles zo mis gaat. Bij aankomst op Schiphol voegde hij aan zijn naam toe: Berzinjne. "Ik heb intussen al tien keer uitgelegd hoe dat zit. Ik kom uit die streek en het is bij ons vaak de gewoonte om dat erbij te noemen. Dat past in onze cultuur. Het is eigenlijk ongeveer zoiets als
'ik ben Amsterdammer'. Ik denk dat ze dat hier niet begrijpen en dat ik daardoor tussen schip en wal ben gekomen. Nee, dat zeg ik geloof ik niet he’lemaal goed. Is het tussen 'wal en schip? Voor het eerst die avond schieten
we alledrie in een bevrijdende lach.
Karwan vervolgt zijn uitleg. "Saddam Hoessein verbood Koerden elke uiting van eigen cultuur. Wij mochten zelfs geen achternaam hebben. Mijn eigen naam is dus Karwan en verder heb ik de voornamen van mijn vader Muhammed en mijn grootvader Ahmed. Door het toevoegen van Berzinjne wordt onze naam persoonlijker. Dat heeft op
Schip-hol misschien verwarring gegeven. Ik denk dan wel, wanneer mensen over iemands leven kunnen beslissen zouden ze toch iets van dienst cultuur moeten weten? Ik ben er zeker van dat ik als voormalig tolk voor Amerikanen mijn leven niet zeker ben in Irak. Ik ben destijds meermalen in een hinderlaag geraakt, maar dankzij de
bodyguards die ons beschermden werden we op tijd gewaarschuwd. Saddam Hoessein loofde toen grote beloningen uit aan mensen die ons wilden verraden. Verschillende van mijn internationale collega's zijn ook gedood. Ook nu is het nog niet veilig voor mensen die Amerikanen of Engelsen helpen. Niemand gaat toch zomaar weg uit zijn
geboorteland? We hebben daar familie. We hebben heimwee naar de mensen en het land. We woonden in een mooi huis met een grote tuin vol fruit. Dat laat je niet voor niets achter. We zijn gevlucht uit angst", besluit Karwan ontredderd.
Nb. Graag wil ik enkele persoonlijke regels toevoegen aan dit interview. Karwan's angst lijkt mij geen denkbeeldige. Kort na ons gesprek las ik in de krant dat Irakese tolken gemaskerd en onder een schuilnaam hun werk voor de Amerikanen doen. Vorig jaar zomer werd een tolk door het Irakese verzet gedood. Ik begrijp dat voor
economische vluchtelingen de regels streng moeten zijn in een klein land. Ik kan en wil niet begrij-pen dat deze familie niet in Nederland zou mogen blijven, gelet op het wezenlijke gevaar dat hen in hun geboorteland wacht. Een hele avond heb ik mogen genieten van de vriendelijke gastvrijheid van Karwan en Sazan. Hun angstige
onzekerheid over de toekomst was bijna tastbaar. Wanneer 'de' asielzoeker een gezicht krijgt wil je er het beste van hopen. Voor dit gezin: het allerbeste!
Ank Pronk
 |
|
dec. '04
IK VIND HET VERHAAL VAN JOZEF IN EGYPTE SPANNEND
Op zondag 28 november werd Helen Elisabeth Melcherts gedoopt in de Kapel in Zuidoostbeemster. De eerste zondag van Advent kreeg daardoor een extra stijlvolle en feestelijke sfeer. Helen las zelf het verhaal voor van Jakob ’s worsteling met God, dat uitmondt in Jakob ’s bede: Ik laat je niet gaan tot je me zegent.” Dit
was ook de tekst die Helen bij haar doop meekreeg voor haar levensweg, samen met het gebed van Ds Schroevers, “schrijf haar naam in de palm van uw hand.”
Helen is negen jaar. Zij wilde, op eigen verzoek, worden gedoopt. Reden genoeg om voor die tijd bij haar op bezoek te gaan voor een gesprekje.
Het gezin Melcherts-Zwart verhuisde zo’n vier jaar geleden van Purmerend naar Zuidoostbeemster. Helen’s moeder, Elske Zwart, heeft haar wortels in Midden-beemster waar haar moeder ouderling was bij de Hervormde Gemeente. Veel mensen zullen zich ook haar vader, de schoolfotograaf, herinneren. Elske had niet veel banden meer met
de kerk en de drie dochters, Fleur, Yvonne en Helen zijn niet gedoopt. Sinds de activiteiten in de Kapel zo zijn uitgebreid, bezoekt zij steeds vaker de kerkdiensten.
Bijna als bewijs daarvan staan de voor de oogstdienst gecreëerde bloemstukjes op tafel. Uitgeholde pompoenen met herfstbloemen gevuld. Samen met Marie Schroevers gemaakt bij Fa. Slot aan het Zuiderpad.)
(Op de foto v.l.n.r. Yvonne, Helen en Ans van Overbeek)
IK WIL ERBIJ HOREN, BIJ GOD!
Waarom die bewuste keuze om gedoopt te willen worden? Het antwoord komt zonder aarzelen: “Ik wilde erbij horen, bij God. In de paasnacht werd een jonge vrouw gedoopt. Toen dacht ik, dat wil ik ook. Mamma zei toen, dat ik daar heel goed over moest nadenken. Nou toen heb ik gedacht en gedacht en ik weet nu heel zeker dat ik het
wil.” Denk je ook dat God een beetje op je past?? Stralend:”Ja, vast en zeker.”
We zitten samen op de bank, zus Yvonne van tien luistert geïnteresseerd. Elske schilt aardappelen voor de boerenkool. (“dat lust ik niet zo graag”, vertrouwt Helen mij toe) en de cavia krijgt een worteltje. Fleur van vijftien zit achter de computer. Ik ben zeer gecharmeerd van het geheel. Helen zit op de basisschool “de
Bloeiende Perelaer”, in groep 5. Enthousiast vertelt ze over juf Suzanna en juf Esther die zoveel liedjes kennen en div. instrumenten bespelen. Nou en of ik wat horen wil. Dus volgt er een spontane, swingende samenzang van Helen en zus Yvonne. A-capella en zo zuiver als het maar kan, word ik verrast met tal van liedjes. “Heb je
wel gehoord van de olifant, die eet de bananen uit je hand, net als een aap maar dan veel meer, hij eet er wel honderd in een keer…” Een privé concertje, zomaar cadeau. De grauwe novembermiddag krijgt daardoor iets zonnigs.
BALLET
Helen vindt het fijn in de Beemster. Ze heeft er haar vriendinnetjes. Voor Balletles gaat ze nog wel naar Purmerend, naar de muziekschool. Ze danst sinds haar vierde jaar. Ze huppelt naar de hal en komt terug met een foto waar ze met zussen, in vol ornaat, op staat. "Over een poosje mag ik een hoofdrol dansen als zomerprinses.
Drie andere meisjes dansen de lente, de herfst en de winter. We dansen het ook in de Purmaryn".
Weet ze ook iets van de wereld buiten de Beemster?"Ik weet waar Zambia ligt. Het is daar heel warm. Dat weet ik omdat mijn oom is getrouwd met een vrouw uit Zambia, tante Mildred. De bruiloft was hier. Dat was een geweldig feest. Tante Mildred kan van takken een prachtig vuur maken. Ze bakt daar buiten vis op.
Elske vult aan: "Zoals wij wel eens in het schuurtje iets bakken dat ons binnen teveel stinkt, doet zij dat buiten. Het is mooi om te zien hoe kunstig ze zo'n vuur brandend houdt door de buitenste takken steeds weer naar binnen te duwen."
Het is duidelijk, ze zijn dol op Mildred.
JOZEF IN EGYPTE
Leest ze wel eens in de Bijbel? "Ja nou en of. Weet u wat ik spannend vind, de verhalen over Jozef in Egypte en over Jacob en Ezau. Jacob moest veertien jaar werken voordat hij met de goede vrouw mocht trouwen, met Rachel. Tijdens de kindernevendienst hebben we van papier en lijm
Mozes in het biezen mandje gemaakt. Dat is ook
een mooi verhaal.
Op school hebben we godsdienstles, dan leren we ook over andere godsdiensten, met symbolen. De jongens wilden toen een verhaal over de brandstapel in India en de meisjes wilden liever horen vertellen over een heel mooie tempel met goud. Maar ja, de meeste stemmen gelden en er zitten nou eenmaal meer jongens in de klas. Die
kregen hun zin, dat vond ik maar niks."
En dan, plotseling, zonder enige overgang:"Gelooft u eigenlijk ook?" "Ja, dat doe ik inderdaad", antwoordde ik hard op en ik denk, "Ik hoop dat ze minder twijfels zal hebben dan ik".
Ik beloof te komen als ze wordt gedoopt. "Na het dopen gaat de familie mee naar huis en dan drinken ze koffie en zo. Het is toch een feest".
Helemaal waar lieve Helen en een feest was het om bij jou, je moeder en je zussen op visite te zijn.
Ank Pronk
 |
|
nov. '04
God heeft geen handen op aarde,
wij moeten die handen zijn.
Wim van Beveren werd op 18 maart 1920 in Terneuzen geboren in een Gereformeerd, liefdevol gezin dat acht kinderen rijk was. Hij bewaart er warme herinneringen aan, die hij een leven lang, met zich meedraagt. Zoals hij ook als leidraad meekreeg dat geloven “ver-trouwen” is, immers, zo luidt een lied dat hij citeert: ”Die wolken,
lucht en winden, wijst spoor en loop en baan, zal ook wel wegen vinden, waarlangs uw voet kan gaan.”
In het dorp Oost-Souburg ontmoette hij, in 1938, zijn eigen Zeeuws Meisje, Nellie Suurmond. Het was liefde op het eerste gezicht. Hij was 18 jaar, zij was 16. Ze zouden vijfenzestig jaar samen blijven. ”Jaren van geluk”, noemt van Beveren ze, waaraan door het overlijden van Nellie, op 6 oktober 2003 een einde kwam. Nellie leed,
sinds 1998, aan Alzheimer… “Een gemene ziekte, maar door de hechte band die wij hadden, waren ook dat toch mooie jaren. Ze was zo lief, het was een vreugde voor mij om haar te verzorgen.”
Die sterke verbondenheid gaf ook de kracht om het verlies van twee kinderen te dragen. We waren heel gelukkig toen ons eerste kind, onze dochter Corrie, werd geboren. Door onze tegengestelde Rhesus-factoren, waar medisch toen nog niets aan te doen was, verloren wij ons tweede en ook ons derde kind. Onze droom van een groot
gezin was voorbij. Zo’n gezin als het nest waar ik was opgegroeid en waar ook Nellie zich zo thuis voelde.
Waterschap de Beemster
Na tal van verhuizingen kwam het echtpaar van Beveren via Voorburg en Alkmaar in Middenbeemster wonen, waar van Beveren was benoemd tot secretaris van het toenmalige Waterschap de Beemster. Tweemaal eerder was hij bij een waterschap als nummer 1 voor deze functie voorgedragen. Hij werd echter door hoofdingelanden gepasseerd
omdat hij lid was van de PvdA. Hij is daar nog steeds geëmotioneerd over.
De sfeer in het Waterschap vond hij geweldig. Het was echt óns Waterschap! Er gebeurde zoveel. In mijn tijd zijn er wegen aangelegd en is de totale bemaling gereorganiseerd. We gingen van drie naar twee gemalen. Het gemaal aan de Westdijk kostte anderhalf miljoen gulden. Omdat een efficiëntere waterhuishouding een agrarische
verbetering betekende, droeg de Europese Gemeenschap een miljoen bij. Het was voor het eerst dat er subsidie werd verstrekt aan een Waterschap.”
Hij heeft met hart en ziel voor het Waterschap gewerkt. Toch heeft hij het werk, toen hij in 1981 gebruik maakte van de VUT-regeling, nauwelijks gemist. Hoe dat mogelijk is?
“Dezelfde week na mijn vervroegde pensionering kwamen er vier bestuurders van de Rusthoeve bij mij thuis.De Rusthoeve moest worden gerenoveerd, of ik voorzitter wilde worden van de commissie die dat ging voorbereiden.” Hij lacht schaterend. Ik had een nieuwe kluif om mijn tanden in te zetten!”
De Beemster
De Zeeuw “van Beveren”voelt zich er helemaal thuis. Dat weerhoudt hem er echter niet van om, met de passie die hem bij alles eigen is, een kritische kanttekening te plaatsen. Zo vindt hij, dat er te weinig wordt gedaan voor ouderen en is het hem een doorn in het oog, dat er in Zuidoostbeemster teveel wordt gebouwd. “Die kluiten
woningen tegen een stad aan, in dit geval Purme-rend, veroorzaken een zwakke kern in Middenbeemster. Daar hoort het centrum van de polder te liggen zodat je de voorzieningen in de polder behoudt. Nu raak je die kwijt doordat meer dan de helft van de bevolking in Zuidoostbeemster zit, dat op Purmerend is georiënteerd.” Hij noemt
het postkantoor en het bejaardentehuis.

Wat van Beveren betreft, wordt er ook teveel langs de wegen gebouwd. “Ik vind dat er wel boerderijen gebouwd mogen worden, maar geen burgerwoningen. De polder moet zijn open agrarische karakter behouden.”
Heeft hij nog een grote wens voor Middenbeemster? “Nou en of! Een echt dorpshuis. Wellicht zou de kerk die behoefte in kunnen vullen. Daar zijn plannen voor.”
Europa en Turkije
Van een dorpshuis in Middenbeemster naar Turkije is voor een bevlogen mens als van Beveren een kleine stap. Het is zijn handreiking als christen en socialist aan een moslim gemeenschap. “Ik ben bezorgd over de ontwikkeling van Europa. Ik ben van mening dat we Turkije moeten opnemen in de Europese Gemeenschap als een speerpunt
om een modern Islamitisch land te integreren in Europa. Ter voorkoming van extreme gedachten en handelingen.”
God heeft geen handen op aarde
Een interview met van Beveren betekent dwalen door zijn Zeeuwse jeugd, omzien naar de oorlogsjaren waarin hij moest onderduiken en het huwelijk met Nellie moest worden uitgesteld. Het betekent ook praten over de tijd bij de Irenebrigade en zijn werk bij het Waterschap.
Sinds enige tijd verdiept van Beveren zich in reïncarnatie. Hij bezoekt bijeenkomsten van Hans Stolp in Amersfoort. “Het boeit mij zo enorm. Ik vind de gedacht aan reïncarnatie niet wonderlijk, want ieder mens, goed of slecht, verdient een tweede kans. Ik weet nu ook waarom ik nog gezond ben. Ik ben er nog niet. Ik moet nog zo
veel leren, ik ben nog niet klaar met het leven.”
Druk gebarend, opspringend uit zijn stoel om een boek te pakken of een schilderij te bekijken, zo vertelt van Beveren over alles wat hem beroert. Is hij nooit bang dat hij wel eens doordraaft? Het wordt even stil…..dan bevestigend: ”Oh jazeker, wanneer ik dat vroeger deed, kon Nellie zo heel voorzichtig even haar hand op mijn
arm leggen. Dan wist ik dat ik gas moest terugnemen. Zij hield mij in balans. Nu zij er niet meer is, loop ik daar tegenop.
Elk onderwerp mondt uit in herinneringen aan Nellie, die “zoveel talenten had”, maar ook in de realiteit van het geloof. “Het persoonlijke geloof, daar gaat het om. Voor mij is het de grond waarop ik leef. Mijn ouders leefden vanuit die overtuiging en ik mag daar ook op vertrouwen. Ik moet er wel wat voor doen. Je gelooft en
bidt niet gratis. Bidden verplicht, want God heeft geen handen op aarde. Wij moeten die handen zijn.
Ank Pronk
 |
“Geloven
moet een
vreugde zijn”
interview met
Nel en Paul
Stolp (okt.'04)
Een bezoek aan
Nel en Paul
Stolp begint
met een
rondleiding in
de bij hun
boerderij
Pijlenburg
gelegen
paradijselijke
tuin. Het is
hun trots en
veel bezoekers
mochten
inmiddels
meegenieten.
Paul werd in
1940 op
Pijlenburg
geboren. Hij
is er nooit
meer vandaan
gegaan. Nel’s
wieg stond in
Middelie. Toen
ze twaalf was
kwam ze naar
de Beemster.
Dit jaar
vierden Nel en
Paul hun
40-jarig
huwelijk.
Tal van
generaties
Stolp boerden
op Pijlenburg
dat
oorspronkelijk
dateert van
1629. “Het is
dus ouder dan
de Eenhoorn.
Kijk, in de
kaaskelder
staat het
jaartal”,
vertelt Paul.
“Ik heb er nu
een
plantenkasje.”
In 1947
brandde die
boerderij
volledig af.
“Ik herinner
mij er weinig
van, ik was
zeven. Mijn
moeder droeg
mij razendsnel
naar de buren.
De kamer
brandde al”,
aldus Paul. En
grinnikend:
“gek
eigenlijk, ik
weet nog wel
dat mijn
klompen waren
verbrand.”
Het huidige
Pijlenburg
werd in 1956
gebouwd. “Ons
gezin woonde
jarenlang bij
de
grootouders.
Veel mensen
waren in die
tijd
onderverzekerd.
Zo vlak na de
oorlog had
iedereen wel
wat anders aan
zijn hoofd.
Mijn vader had
alleen geld
voor een
nieuwe stal.
Die kwam in
1948. Het vee
was bij de
brand gelukkig
ongedeerd
gebleven.”
Paul zal te
zijner tijd de
rij van
melkveehouders
op Pijlenburg
sluiten. Hij
heeft geen
opvolger. Paul
heeft een
voorliefde
voor een koe
met een
uitgesproken
markante
tekening: de
Lakenvelder.
Er is bewust
gekozen voor
een
kleinschalig
bedrijf waarin
ook plaats is
voor schapen.
Die
kleinschaligheid
was ook
gekoppeld aan
het buitenshuis
werken van Nel.
Ze was ooit
directiesecretaresse
bij de Draka.
Een vrouw die
veertig jaar
geleden trouwde
kreeg gewoonlijk
ontslag. Werken
in de
gezinsverzorging
bleek een goed
alternatief. “Ik
kwam bij zoveel
mensen thuis.
Heel fijn om te
doen.”
Het wonen in de
polder vinden ze
allebei
heerlijk.
“Altijd die
ruimte om je
heen. Er is maar
een nadeel, het
lawaai aan de
Middenweg. Het
zou nog best
meevallen
wanneer iedereen
zich aan die 80
kilometer hield,
maar dat gebeurt
vaak niet.”
Dat ze nu in het
Werelderfgoed
wonen, daar zijn
ze niet
ondersteboven
van. “Ach”,
vindt Paul “’t
is leuk en daar
is alles mee
gezegd.”
Er zullen weinig
mensen zijn de
Nel en Paul niet
kennen. Midden
in de
gemeenschap
staan ze.
Verknocht aan de
Beemster waar
ook hun drie
kinderen werden
geboren. Voor
verenigingen
werd altijd tijd
ingeruimd. “Ons
leven is er voor
een groot deel
door bepaald”,
zegt Paul. “We
hebben het met
enorm veel
plezier gedaan,
maar we bouwen
het nu wat af.
Weet je, Nico
Schroevers
preekt graag
over een goed en
vol leven, maar
ik zeg wel eens:
mag het een
beetje minder
vol? Het is
trouwens ook
goed dat er
jonge mensen
voor jou in de
plaats komen.
Zoals bij de
Floralia. Het
grappige is dat
de formule van
de ‘Floor’ nog
hetzelfde is als
75 jaar geleden,
maar wat blijkt?
Jonge mensen
vinden het ook
nu nog leuk. Dat
is toch
bijzonder in een
tijd van
computers?”
Paul blijft nog
lid van de mede
door hem
opgerichte
accordeonclub en
van de
toneelgroep
Oosthuizen waar
hij de regie
voert.
Nel stopt het
volgende seizoen
met de
kerkenraad waar
Paul overigens
ook elf jaar
deel van uit
heeft gemaakt.
“Ik zal dat erg
missen. We
vormen een fijne
hechte groep.
Maar het wordt
me toch wat
teveel. We
passen op de
kleinkinderen,
ik help bij de
dagopvang
Middelwijck en
ik doe mee met
vriendschappelijk
huisbezoek.”
Ze dansen al
sinds eind jaren
70 bij de
Westfriese
dansgroep
Midwoud. “Jammer
dat er geen
jonge mensen
meer bij komen.
De
belangstelling
voor dit soort
optredens neemt
af. We hebben
genoten van de
verre landen die
we met de groep
bezochten zoals
India, Maleisië
en Borneo. Het
heeft onze
interesse gewekt
voor andere
leefgemeenschappen.
Daardoor zijn we
ook privé gaan
reizen. We
hebben mooie
dingen gezien,
maar ook veel
armoede. Het is
goed om je nek
om de hoek van
de deur te
steken”, vinden
ze beiden. Paul:
“je snapt niet
dat we met alle
kennis die we
bezitten niet in
staat zijn om
rijkdom eerlijk
te verdelen.”
Nel en Paul
zijn, zoals ze
zelf zeggen,
geen fanatieke
kerkbezoekers.
Ze vinden het
fijn dat Nico en
Marie Schroevers
het leven van
alledag
betrekken bij de
geloofsbeleving.
Voor Paul is het
gemeenschappelijke
en het op een
christelijke
manier me elkaar
omgaan het wezen
van zijn geloof.
Nel: “het ergens
bijhoren en met
elkaar stil
zijn. Dat moment
van stilte dat
in de dienst
wordt ingelast
is ontroerend.
Je voelt een
verbondenheid.
Je denkt aan
elkaar, aan je
kinderen. Het is
ook een
overpeinzing,
misschien is dat
wel bidden. Ik
vind het ook
bijzonder dat
een Bijbel nog
steeds
aanspreekt, ook
al is het soms
een moeilijk
boek.”
Paul knikt
bevestigend.
“Een ding is
voor mij heel
zeker: geloven
moet een vreugde
zijn,
blijdschap.”
Ank Pronk
|
|
|
|